Auteur: Gaston Dorren

Kleine inleiding tot de vergelijkende rijmkunde

Het is niet eerlijk: in sommige talen kun je amper je mond opendoen zonder te rijmen, in andere talen is het zwoegen om rijmkoppels te vinden. Hoe hebben liedtekstschrijvers en traditionele dichters dat opgelost?
Laat ik eerst even toelichten dat ik het hier over volrijm heb, het klassieke type dat we in het Nederlands meestal kortweg ‘rijm’ noemen: denken  schenken, Sinterklaas – pieterbaas, dat werk. Daarvan is sprake als de laatste beklemtoonde klinker én alle daarop volgende klanken van de rijmwoorden gelijk zijn, terwijl de medeklinker ervóór juist verschillend is; ik sla nu even wat complicaties en subtiliteiten over.
Die definitie heeft drie consequenties voor het rijmgemak van talen.

De naam van het vak

Natuurkunde, scheikunde en wiskunde vind ik mooie woorden, en ik geloof dat de beoefenaars – voorzover ze zich daar druk over maken – dat ook wel vinden. De natuurkunde behoort, samen met de scheikunde en nog een paar andere, tot de natuurwetenschappen, maar ze valt daar dus niet mee samen. De natuurkunde heet ook wel eens fysica, vooral in vaste samenstellingen: kernfysica, bijvoorbeeld. Maar kernfysici vinden het prima als iemand hen natuurkundigen noemt, want dat zijn ze ook.

Onder hen die de taal als wetenschappelijk onderzoeksobject hebben, is dit soort vanzelfsprekend zelfvertrouwen op het gebied van naamgeving ver te zoeken. Van oudsher heet hun onderzoeksterrein ‘taalkunde’, wat mooi past in een eerbiedwaardig rijtje – denk ook aan sterrenkunde, geneeskunde en aardrijkskunde. Maar ik hoor dat woord uit de mond van de betrokkenen maar zelden meer, en drie andere termen des te vaker.
Lees verder >>

Af

Af is een opmerkelijk woordje. Ik wilde eigenlijk zeggen: een opmerkelijk voorzetsel, maar dat is het volgens mijn woordenboeken bijna nooit. Alleen in de rare uitdrukking af fabriek, die in het Duits ab Fabrik luidt, en dat zal wel geen toeval wezen. O ja, en in Af mijn kamer!, boos geroepen door het kleine zusje van een schoolvriend, maar daar moesten we erg om lachen.
Dat ik af voor voorzetsel aanzag, was vanwege woordgroepen als de berg af en hij sprong eraf. Eraf is natuurlijk een bijwoord, maar dit soort bijwoorden – ervan, erop enzovoort – zijn veelal samengesteld uit er plus een voorzetsel. In dit geval kennelijk niet. (Het grammaticaboek, dat wil zeggen de ANS, noemt af wél een voorzetsel, zie ik, of preciezer geciteerd: een achterzetsel.)

Lees verder >>

Don Kíkóti

Zou Miguel de Cervantes de naam van zijn bekendste personage nog herkennen als hij hem nu zou horen? In Spanje wel, want de hedendaagse uitspraak, ‘donkiechotte’, is bij mijn weten niet wezenlijk anders dan in zijn tijd (1547-1616). De spelling wel een beetje: Don Quixote heet nu Don Quijote.
Maar elders?

Het p-boek komt eraan

“We spreken vanmiddag met Renske Koster, technologisch letterkundige aan de Universiteit van Haarlem, over een innovatie die we binnenkort in onze huiskamer kunnen verwachten. Dat mag ik toch zo zeggen, mevrouw Koster?”
“Jazeker, ik verwacht inderdaad dat het p-boek op het punt van doorbreken staat.”
“Het p-boek gaat het oude vertrouwde boek verdrijven.”
“Ho, nou, dat hoort u mij niet zeggen. Ik verwacht dat er mensen zullen blijven die liever van een tablet lezen, uit gewoonte of uit een zeker bibliofiel snobisme. Maar het p-boek wordt het dominante leesmedium.”
Lees verder >>

Met de KLM naar de V.A.E. v.v.: 10.000 km

Hoe schrijf je afkortingen? Liefst met mate, mijns inziens, want e.a., a.d.h.v. en i.h.a. kunnen best, ja zelfs beter, voluit worden geschreven. Maar goed, je komt lang niet altijd om afkortingen heen. En dan moet je als speller twee keuzes maken: Schrijf je hoofdletters, kleine letters of een combinatie daarvan? En plaats je meerdere punten, alleen een punt aan het eind of helemaal geen?

Lees verder >>

Alleen een snop zegt ‘pass’

“Waarom hebben al die voetballologen het toch altijd over een ‘paas’?” vroeg @kromtaal op Twitter. “Zeg nou gewoon pass als je dat bedoelt.”
Die vraag lijkt makkelijk te beantwoorden: in de Britse uitspraak bevat dit woord nu eenmaal een klank die het Nederlands mist, en dus spreken we hem bij voorkeur anders uit. Ons woord pas heeft zo’n beetje de juiste ah-klank, maar een te korte duur, terwijl de aa van het woord paas(vuur) wel zowat de juiste duur heeft, maar niet de goede klank. Een keuze tussen drie kwaden: twee mogelijke uitspraken die een Brit vreemd zou vinden, en een Britse, met een langgerekte ah, die juist niet bij het Nederlands past. De keuze is gevallen op ‘paas’. Blijft de vraag: waarom juist daarop?

Lees verder >>