Auteur: Gaston Dorren

Lachen jullie maar

door Gaston Dorren

In de gebiedende wijs laten we het onderwerp meestal weg, maar niet altijd, schrijft Hans Bennis in zijn boek Korterlands (net verschenen, met veel plezier gelezen). Voorbeeld: de zin Doe jij eens niet zo raar is even correct als Doe eens niet zo raar. Bennis noemt dat op bladzijde 144, in het kader van een hele redenering. Ik ruk het hier even uit zijn verband omdat het me aan het denken zette – dat doet Korterlands wel vaker.
Beide zinnen kloppen natuurlijk, maar het verraste me dat de schrijver in beide een gebiedende wijs ziet. Het feit dat doe qua vorm overeenkomt met een gebiedende wijs, met de stam van het werkwoord dus, bewijst op zich niets. In Doe jij dat graag? en Daarom doe jij dat graag ziet het werkwoord er ook uit als een gebiedende wijs, zonder het te zijn.
Toch denk ik dat Bennis gelijk heeft, en wel op grond van het enige Nederlandse werkwoord met een (gangbare) gebiedende wijs die niet hetzelfde is als de persoonsvorm gevolgd door jij, te weten zijn. Wees jij eens niet zo eigenwijs klinkt me grammaticaler in de oren dan Ben jij eens niet zo eigenwijs.
Lees verder >>

Ik zeg niet dat het een slecht boek is

Door Gaston Dorren

Voor bijna tien euro krijg je een bundeltje van welgeteld 130 tekstpagina’s vol eerder gepubliceerde stukjes van Ronny Boogaart. In een avond ben je erdoorheen.
Voor nog geen tientje krijg je een selectie uit Ronny Boogaarts artikelen van de afgelopen jaren. Bijna 140 pagina’s, goed voor uren leesplezier.

Beide zinnen doen, strikt feitelijk bezien, ongeveer dezelfde mededelingen over het boek Een sprinter is een stoptrein zonder wc. Het voornaamste verschil zit hem in de onderliggende boodschap: de eerste suggereert dat het een miskoop is, de tweede beveelt het juist aan. En dat soort verschillen in onderliggende boodschap, daar gaat het boek precies over. Over ‘de sturende kracht van taal’, zoals de ondertitel luidt.

Lees verder >>

Blogje uit Albuquerque

Amersfoort?
Zo ongeveer het makkelijkste als je een vreemde taal leert, zijn geografische namen. Op een paar uitzonderingen na kun je die gewoon laten zoals ze zijn. Ik woon in Amersfoort, en ook als ik Engels, Duits of Spaans schrijf, woon ik nog steeds in Amersfoort. Uitspreken doe ik de naam in die andere talen ietsje anders, maar dat is het dan ook. Een kind kan de was doen.
Een kind wel, maar Google Vertaal niet. Volgens Google woon ik namelijk in Albuquerque, een stad in Nieuw Mexico. Toen ik een paar jaar terug accommodatie zocht in de Tsjechische stad Olomouc, kreeg ik veel adressen opgedist die zich in Manchester zouden bevinden. Dat ‘Manchester’ lag gewoon op de goeie plek in Tsjechië, dat wel. (Ik heb het net getest en het gebeurt nog steeds.)

Lees verder >>

LOT-prijs: brede site verslaat bruisend event

Door Gaston Dorren
Boogaard (l) en Jansen
(foto: Rick de Graaff)

Eerst het nieuws, zoals het hoort: de jaarlijkse LOT-populariseringsprijs voor taalkunde is gisteren toegekend aan de Taalcanon, de website die ook als boek in de winkel ligt onder de titel Alles wat je altijd al had willen weten over taal. De prijs werd in ontvangst genomen door Marianne Boogaard en Mathilde Jansen namens de redactiecommissie, die verder uit Petra Poelmans en Astrid Wijnands bestond.
Naast de Taalcanon waren nog twee van de dertien inzendingen voor de prijs genomineerd: het meertaligheidsfestival Drongo van Maaike Verrips’ Taalstudio en de website Gebareninzicht van de Nijmeegse gebarentaalwetenschappers Onno Crasborn en Yassine Ellen Nauta. Taalkundige Mark Dingemanse was bij liefst drie inzendingen betrokken, en hield daar als blijk van waardering een eervolle vermelding aan over.
Lees verder >>

Stramme fossielen

door Gaston Dorren
Dat het Nederlands nog wat kliekjes overheeft van de aanvoegende wijs, moge bekend verondersteld worden. Ik heb het over werkwoordsvormen als leve (de koning), zij (het) en ware (het niet).
Dat het hier om kleine restjes gaat, blijkt niet alleen uit de betrekkelijke zeldzaamheid van zulke vormen, als schaarse stipjes in een menigte van aantonende en gebiedende en onbepaalde wijzen. Er is nog een andere aanwijzing voor: ze worden vaak niet meer vervoegd.

Lees verder >>

Over het leven van de zin

door Gaston Dorren
De zin, de gesproken zin, de geschreven zin, kortom, de “eenheid van inhoud” waarin we ons binnenleven naar buiten brengen, ja, zelfs deze lange en intussen misschien een beetje ingewikkelde zin (of gaat het nog?), kun je beschouwen als een cadeautje. Waarom? Voor een deel omdat we hem altijd aan iemand ‘geven’, meestal aan iemand anders. Maar er is nog een overeenkomst. Een beetje cadeau zit in een mooi papier, al dan niet voorzien van een strikje, een winkelsticker, een naam, misschien zelfs een gedicht. Net zo bestaat een zin behalve uit de eigenlijke gedachte ook uit allerlei laagjes daaromheen.
Lees verder >>

De stilste taal van Nederland

door Gaston Dorren

Voor het eerst in 35 jaar maakte ik een paar dagen geleden deel uit van een klasje dat zijn allereerste les kreeg in een vreemde taal. Ik ben in de tussentijd nog wel eens aan een nieuwe taal begonnen, vrij vaak zelfs, maar dat was dan altijd in mijn eentje, in een talenpracticum of met een zelfstudieboek.
Terug in de schoolbanken dus, met zeven medeleerlingen, één docent en, voor deze ene keer, een tolk. De docent spreekt namelijk geen Nederlands, al schrijft ze het gelukkig wel. Ze is doof (kan niet horen) en zelfs Doof (lid van de Dovencultuur), en geeft les in Nederlandse Gebarentaal. De meeste deelnemers daarentegen zijn volslagen beginners in NGT. Dat geldt ook voor mij; ik heb wel het een en ander erover gelezen, maar ja, over schaatsen heb ik nog veel meer gelezen en toch kom ik geen meter vooruit op die enge ijzers.
Lees verder >>

Lekker woorden kijken

door Gaston Dorren

Een historische kaart van Europa met bewegende woorden, dat lijkt me nou gaaf. En volgens mij valt die ook te maken. Als alle Nicoline van der Sijzen van Europa – de etymologen met populariseringstalent dus – de handen ineen slaan en wat Europees geld lospeuteren, kán het. Nou ja, na de crisis dan, maar dan moet je nu beginnen, want voor je het weet komt de volgende alweer.

Lees verder >>

Engels klonk niet wetenschappelijk genoeg

Ik twitterde een paar dagen geleden dat empathie een vertaling is van Einfühlungsvermögen. Mijn bronnen waren de Engelstalige Wikipedia en Wiktionary. Daar wordt toegelicht dat het woord in 1909 is bedacht door de Britse psycholoog Edward Titchener (zie foto). Meerdere mensen reageerden daar verbaasd op. ‘Ik zie daar nauwelijks een vertaling in’, schreef @stichtingNederl, en voor @appelboor was empathy compleet Grieks.

Lees verder >>

Een cursus Euraziatisch voor Afrikanen

Door Gaston Dorren

Het is goed dat journalisten over wetenschap schrijven. Kun je tenminste nog eens lachen. Zeker als ze over taalkunde schrijven.

Eergisteren deed bioloog Mark Pagel een taalkundige bewering die hem – als hij gelijk heeft – beroemd kan maken. Hij meent 23 woorden te hebben gevonden die we zó vaak in de mond nemen dat ze extreem stabiel zijn. Ze veranderen wel geleidelijk van vorm, zoals alle woorden, maar ze worden niet gemakkelijk vervangen.
Lees verder >>

Onze Taalfout

door Gaston Dorren
Het Nederlandse naamvalssysteem is ongeveer zo actueel en relevant als het Indisch koloniaal recht of dat klassieke kookboek, ‘Heerlycke recepten met dodovleesch en -eiers’. De naamvallen zijn (buiten de voornaamwoorden) niet alleen in onbruik geraakt; wat er nog van over is, wordt niet meer begrepen.
Ter illustratie, om niet te zeggen ten bewijze, wil ik hier het net verschenen meinummer van Onze Taalter tafel brengen (of ten tonele voeren). Jacco Snoeijer schrijft daarin dat deurwaarders ‘een warme band [hebben] met het multifunctionele voorzetsel te, bij voorkeur te gebruiken in de tweede naamval. Een willekeurige greep levert op: te eniger tijd, te gelegener tijd, ten verzoeke, ten titel (…).’

Lees verder >>

Ook een slecht lied verdient een goede criticus

Door Gaston Dorren
Dat het k-lied te slecht geschreven was om de tand des tijds te doorstaan, was meteen al duidelijk – al had ik ook weer niet verwacht dat het zó’n kort leven beschoren zou zijn. Maar bijna even tenenkrommend als het lied zelf was de manier waarop taaladviseur Wim Daniëls gisteravond bij Pauw en Witteman de zwaktes van de tekst wilde aantonen.
Hij begon – uiteraard – met de zin die binnen luttele uren landelijke beruchtheid verwierf, ‘de dag die je wist dat zou komen’. “Daar zitten acht fouten in”, aldus Daniëls. Want die, legde hij uit, moest waarvan zijn en achter dat moest nog hij. Dat is samen kennelijk acht; de andere zes fouten noemde hij althans niet.

Lees verder >>

Geesten vangen

Ik lees af en toe e-boeken, maar ze hebben minstens één groot nadeel. Het zijn, als ik Sting even uit zijn verband mag rukken, een soort spirits in the material world, met als gevolg dat ik ze, bij gebrek aan zichtbaarheid hunnerzijds, domweg vergeet. Ik vergeet waar ze zijn, vergeet dát ze er zijn, vergeet zelfs dat ik ze aan het lezen ben of dat ik er iets in kan opzoeken.

Maar ik heb een oplossing bedacht, en die gaat als volgt.

Lees verder >>

xiy xay

 Bric-à-brac          (Foto: Joe Flintham)

Snuisterijen is een leuk, maar ook een eenzaam woord. Leuk, omdat het niet gemakkelijk in verband is te brengen met andere woorden (kijk maar), en volgens mij hebben taalliefhebbers een zwak voor dat soort min of meer op zichzelf staande woorden; ik hoop op die gedachte een andere keer terug te komen.

Maar dat ik snuisterijen ‘eenzaam’ noem, heeft een andere reden, namelijk dat de ons omringende talen dit begrip aanduiden met woorden die niet op het onze lijken. Tegelijkertijd lijken ze wel op elkáár. Niet als drie druppels water misschien, maar toch wel als een drie-eiige drieling.

Lees verder >>

Na bijna een eeuw een veel betere Thei

door Gaston Dorren

Dit wordt een enthousiast stukje, en wel over een dialectwoordenboek: De Vallekebergsen Dieksjenaer. Het beschrijft het dialect van Valkenburg aan de Geul en omliggende dorpen, en dat doet het in een aantal opzichten op een bijzonder goede manier.

Nu zal mijn enthousiasme voor een deeltje voortkomen uit persoonlijke omstandigheden. Mijn opa sprak Valkenburgs, mijn vader tot op zekere hoogte ook, in de inleiding tot het boek komen enkele mensen voor die ik heb gekend en bovendien wordt er volop geciteerd uit het vorige Valkenburgse woordenboekje (1917), samengesteld door mijn verre familielid Theodoor (‘Thei’) Dorren. Maar zoals gezegd: het lijkt me ook gewoon een goed dialectwoordenboek, met een paar kenmerken die ik nog niet eerder ben tegengekomen.
Lees verder >>

De inheemse talenknobbel

In sommige delen van de wereld is het gangbaar dat mensen vier-, vijf- of nogmeertalig zijn. Ik herinner me voorbeelden uit Noord-Australië en Kameroen, maar ook in sommige andere gebieden waar veel kleine talen op een kluitje zitten zal het wel voorkomen, zoals in grote delen van Afrika en Nieuw-Guinea. Een interessante vraag is dan: hoe kan het dat die mensen een prestatie leveren die voor de meeste westerlingen bijna onvoorstelbaar is? En ook: leveren ze die prestatie eigenlijk wel?

Lees verder >>

Het buurtje rondom de zon

Van links naar rechts Venus, Mars en Amor. 

“Hoe ziet een levend, bruisend Mars eruit?”, las ik gisteren in Scientias Magazine, en ik struikelde erover. Een slippertje van de eindredacteur, leek me. “Wat is in vredesnaam ‘het Mars’?”, twitterde ik. “Intrigerend: hoe ontstaat zo’n fout? Waarom zegt iemand dat?”

Die vraag maakte een stroom van verrassende reacties los. Meerdere mensen die ik ken als deskundig en/of taalgevoelig antwoordden dat ook zij Mars als onzijdig beschouwden. Zelfs @onzetaal neigde daartoe, al beaamde de anonieme penvoerder dat de planeten volgens hun naslagwerken inderdaad de-woorden waren.

Zou-d-ie dat nou menen?

Als het onderwerp je achter de persoonsvorm staat, in geval van inversie dus, valt de t weg: je valt, maar val je. Bij hij daarentegen kan inversie juist een extra t opleveren. Een onbeklemtoond hij wordt uitgesproken als ie wanneer het achter de persoonsvorm of in een bijzin verschijnt: weet-ie wel dat-ie leeft? We zetten dat zelden zo op papier, want om de een of andere reden heeft de schrijftaal een afkeer van ie. (Waarom eigenlijk?) En in veel gevallen zeggen we niet ie, maar zetten we daar nog een klank vóór: vaak een t, geregeld een d.

Ik vermoed dat die t afgeleid is van de werkwoordelijke vervoegings-t van de derde persoon enkelvoud, tegenwoordige tijd. Ik bedoel: omdat we een t zeggen in daar gaat-ie, zeggen we er óók een in dat las-t-ie en zelfs in ‘ik weet niet of-t-ie gaat’ (of hoe we dit ook willen spellen; ik laat me nu maar even inspireren door het Frans, met zijn y a-t-il). Wat deze neiging mogelijkerwijs  nog versterkt, is dat in veel bijzinnen vóór ‘ie’ óók een t staat, namelijk die van het voegwoord ‘dat’ en zijn varianten ‘omdat’, ‘voordat’ enzovoort: dat-ie leeft.

Een blog dat de lezer waardeert

Er wringt iets in het Nederlands. En het dreigt in de toekomst nog erger te gaan wringen. Maar onze nazaten zullen het wel oplossen – ik heb zelfs een vermoeden hoe.
Lang geleden had het Nederlands naamvallen, ook in de spreektaal. Naarmate die verdwenen, werd hun rol – namelijk: laten zien welk woord welke grammaticale functie vervult – overgenomen door voorzetsels en door een strikter voorgeschreven woordvolgorde.
Wat er wringt, is dat in sommige soorten zinnen de woordvolgorde op andere gronden al zo vast ligt, dat ze die ‘naamvalsvervangende’ functie niet kan vervullen. Zinnen als ‘Wie heeft de parkiet laten schrikken?’ en ‘Dit is de parkiet die de wijkverpleegster heeft laten schrikken’ zijn daardoor dubbelzinnig.

Lees verder >>

Sjiek plat

De afgelopen tijd heb ik meer in het Limburgs gecommuniceerd dan ik gewend ben. Ik ben al bijna dertig jaar een ‘Limburger om utens’ en daardoor spreek ik die streektaal vooral met – eveneens geëmigreerde – familieleden. Maar nu praatte ik opeens bijna twee uur met drie Venlonaren (hier een kwartier daarvan), en voerde met een van hen zelfs een korte mailcorrespondentie in het Limburgs. Er vielen mij drie dingen op.

Lees verder >>

Vals plat

Ik heb mezelf betrapt op een talig vooroordeel.

Twee maal per week doe ik aan spinning: ik trap me drie kwartier lang in het zweet op een rijwiel dat niet rijdt, en dus beter spinnewiel zou kunnen heten. Het Engelse woord spinning is afgeleid van het spinnen van wol, dus zo raar is die gedachte niet eens. Wist u trouwens dat het spinnen van de kat zo heet omdat dat geluid klinkt als een spinnewiel? En in het Duits …

Lees verder >>

Een essayist als een alpinist

Het kan bijna niet anders of je hebt onder Nederlandse lezers twee soorten revianen: de gerardisten en de karelieten. Op grond van alleen De avonden had ik misschien een gematigde gerardist kunnen zijn. Maar ik las ook in latere werken van Gerard, en dat was funest. Broer Karel kende ik alleen bij geruchte. Onlangs viel me zijn boek Een grote bruine envelopin handen. Heerlijke beschouwingen. Ik bestelde aansluitend de columnbundels Uren met Henk Broekhuis en Achteraf en genoot ervan. Ik ben dus een kareliet.
Wat is er aan Karel van het Reve (1921-1999) zo prettig? Bovenal zijn helderheid. Zijn woorden en zinnen zijn helder, zijn betogen zijn helder, zijn standpunten zijn helder.

Lees verder >>

Een langere Afsluitdijk, een bungelend Limburg

Je ziet wel eens van die kaarten waarop sommige landen wanstaltig opgeblazen zijn, terwijl andere zich nét op een paar pixels weten te handhaven. Op bijgaande wereldkaart bijvoorbeeld is Nederland nou eindelijk eens makkelijk te vinden, maar Eritrea – hoewel veel groter – nauwelijks. Dat komt doordat Nederland veel meer kooldioxide de lucht in blaast dan Eritrea, want dat is wat deze kaart in beeld brengt.

Klassieke cartografen als Mercator en Blaeu draaien zich om in hun graf, maar ik vind zulke kaarten – zoals trouwens de meeste kaarten – erg leuk. En ik denk dat er taalkundig meer mee te doen is dan ik tot nu toe heb gezien, op minstens twee manieren.

Krabbelaars

Ik snap signeren niet. Althans, ik dacht dat ik het snapte, maar mijn idee blijkt niet te kloppen. Als lezers een auteur erg bewonderen, vermoedde ik, vinden ze hun boek nog waardevoller als hij (of zij natuurlijk) er iets persoonlijk in gezet heeft: zijn naam, of misschien zelfs iets wat met een merkwaardig woord een ‘opdracht’ heet. Net zoals sporthelden en filmsterren dat vaak gevraagd wordt om te doen op foto’s, cd-hoezen of lichaamsdelen.
Maar zo zit het niet.

Zin in een pruim?

Klaarkomen, wippen, soppen, naaien, pijpen, rukken, poesje, lid, meesteres: ik verklap geen geheim als ik zeg dat al deze woorden er een seksuele betekenis bij hebben gekregen. Sterker nog, de seksuele betekenis van deze woorden is op weg de niet-seksuele te verdringen. Bij andere, zoals pruim en paal, overheerst de oorspronkelijke betekenis nog (of ik ben naïef).

Waarom deze observatie? De leeftijd dat ik het leuk vond om zulke woorden op schrift te stellen heb ik wel achter me gelaten, en de grote waarschijnlijkheid dat deze blogpost de komende jaren een gestage stroom zoekmachinegebruikers zal trekken én teleurstellen, verschaft me wel wat voorpret, maar mijn drijfveer is het toch niet. Nee, wat me boeit is een historische vraag.
Lees verder >>