Auteur: Bas Jongenelen

Wat zegt het hondje (2)

Vorige week schreef ik een wedstrijd uit, ik vroeg mij namelijk af wat het meest kenmerkende geluid van de mens was. Hondjes zeggen ‘Waf’, poesjes ‘Miauw’ en koetjes ‘Boe’. Maar wat zegt de mens?

Het belangrijkste verschil tussen mens en dier is de taal. Natuurlijk kunnen dieren ook met elkaar communiceren, bijen kunnen elkaar vertellen waar mooie bloemen te vinden zijn, dolfijnen schijnen elkaar namen te geven (ze heten dus niet allemaal Flipper) en apen waarschuwen elkaar voor slangen. Mensentaal is veel complexer. Zo kunnen mensen communiceren in taal over taal, om één voorbeeld te geven.
Lees verder >>

Wat zegt het hondje?

Volgens mij trekken dieren zich weinig aan van landgrenzen, ook taalgrenzen zijn aan hen niet besteed. Een Nederlands paard hinnikt precies als een Spaans paard (maar in Spanje hinnikt hij wel wat harder, vandaar dat Spanjaarden een paard /kabaal/ noemen – doch dat geheel terzijde). Mensen hebben de slechte eigenschap dat zij dingen op willen schrijven en zij hebben daarvoor een tekensysteem bedacht dat de meeste geluiden niet goed weet te vangen.

Lees verder >>

Bas Jongenelen: Geen zorgen voor de toekomst van de neerlandistiek

Een pessimist noemt zich vaak optimist met realiteitszin. Hoe een optimist zich noemt, weet ik niet. Wel weet ik dat veel mensen pessimistisch zijn over het schoolvak Nederlands en de vervolgstudies daarop: de neerlandistiek. Er worden veel zorgen gemaakt over de toekomst van het onderwijs in en over onze taal.

Colleges in het Engels, tweetalig voortgezet onderwijs, geleide samenvattingen op eindexamens – ze worden gezien als de grote ineenstorting van de taalvaardigheid van de gemiddelde Nederlander. Zelf vind ik ook dat de examens Nederlands in het voorgezet onderwijs van een armzalig niveau zijn. Dat er op veel scholen geen tot beroerd literatuurgeschiedenis gegeven wordt, is in mijn optiek heel… rottig (er schoot mij eigenlijk een ander woord te binnen).

Ik bekijk het graag langs de andere kant: over twintig jaar is de universitaire studie Nederlands volledig opgegaan in de brede bachelor ATCZ (Algemene Talen, Culturen en Zo). Op middelbare scholen worden geen boeken meer gelezen, dat is dan echt te ingewikkeld en het examen Nederlands bestaat uit het overtikken van een blogbericht op je palmtablet. Er is dus niets om je zorgen over te maken – alle problemen die we nu ervaren, zijn over twintig jaar opgelost. Daar ben ik heel optimistisch over.

De klucht van de Schuyfman

De klucht van de Schuyfman is een vroeg zestiende-eeuws stuk dat bewaard is gebleven in het Trou moet blijcken-archief. Het is een van de leukste toneelstukken uit onze literatuurgeschiedenis en het verdient meer aandacht. Helaas is de editie uit 1928 (herdruk 1932) van Stoett alleen maar tweedehands te koop en gelukkig staat deze editie op dbnl-site. Femke Kramer gebruikte deze klucht als schoolvoorbeeld van laat-middeleeuwse humor in haar proefschrift Mooi vies, knap lelijk.

In Een esbatement Vande Schuyfman zijn twee bevriende schooiers, Schuyfman en Sloef, op zoek naar iets te eten. Ze zijn op zee geweest, maar vonden het werk op een schip toch wel erg zwaar. Dat zien ze niet meer zitten. Ze bedenken allerlei plannen, zoals huismussen van het dak schieten, een beurs stelen en bedelen als schipbreukelingen.

Voordat ze die plannen echter tot uitvoering kunnen brengen, stuiten ze op een afgelegen woning waar ze wel om eten kunnen gaan vragen. Helaas reageert de dove vrouw die opendoet niet op hun smeekbedes, maar begint allerlei onsamenhangende verhalen te vertellen. Terwijl Schuyfman haar aan de praat houdt, probeert Sloef naar binnen te gaan om eten te zoeken. Dan maakt de vrouw een opmerking waar ze wél wat aan hebben: de overbuurvrouw is overleden en daarom geeft de familie eten weg.

Lees verder >>

Auteur Karel ende Elegast schreef meer boeken

In 1973 werd er postuum in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde een artikel gepubliceerd van K.H. Heeroma waarin hij betoogde dat Karel ende Elegast, Moriaen en Lantsloot vander Haghedochte door één auteur geschreven zijn. Hij had hiervoor een hele lijst met overeenkomsten tussen deze drie werken aangelegd. Toch vonden velen zijn argumentatie niet overtuigend genoeg, er is heel lang niets met deze stelling gedaan. Hoewel Frits van Oostrom er altijd rekening mee heeft gehouden dat de dichter van Moriaen en Lantsloot één en dezelfde persoon zouden kunnen zijn.

Vandaag promoveerde Mike Kestemont aan de Universiteit Antwerpen op het proefschrift Het gewicht van de auteur. Kestemonts aanpak is een statistische stijlanalyse: hij laat een computerprogramma alle rijmwoorden uit Middelnederlandse versteksten tellen en op een rijtje zetten. Dat lijkt heel saai, maar is bijzonder opwindend. Door deze analyse is naar voren gekomen dat Heeroma wel eens gelijk zouden kunnen hebben, sterker nog: statistisch gezien had Heeroma gewoon gelijk. Heeroma’s stelling is door Kestemont geverifieerd, het is aan de tegenstanders en twijfelaars om hem te falsificeren.

Voorlopig blijft de conclusie staan dat Karel ende Elegast, Moriaen en Lantstloot vander Haghedochte door één auteur geschreven zijn. Ik neem aan dat dit inzicht in de eerstvolgende drukken van de literatuurboeken terug te vinden zal zijn.

Eindexamen Nederlands (4)

Al eerder (namelijk hier, hier en hier) schreef ik eindexamens Nederlands, nu weer – vandaag is het laatste examen, dat van het vmbo-BB. Waarop worden de BB’ers getoetst? Ze moeten teksten lezen waarover vragen worden gesteld en ze krijgen een schrijfopdracht. De teksten van het examen van vorig jaar staan hier, die van dit jaar worden hier gepubliceerd (althans, dat zou de bedoeling moeten zijn, maar aangezien het examen digitaal afgenomen wordt, is het blijkbaar niet mogelijk het examen toegankelijk te maken voor derden).

Het vmbo-BB is de laagste vorm van het vmbo en zou dus het makkelijkst moeten zijn. Als je echter het examen maakt, dan zul je zien dat deze leerlingen het dus helemaal niet makkelijk hebben. Integendeel, het examen Nederlands zit lastig in elkaar en kent veel valkuilen. Net als de overige vmbo’ers moeten zij leesvaardigheidsopdrachten en een schrijfopdracht maken in veel te weinig tijd, hetgeen een rare toetsvorm is. Als docent kijk je dus geen doordacht werk, maar haastwerk na.

Die schrijfopdracht moet er uit en dient in een aparte zitting afgenomen te worden, leesvaardigheid kan blijven. Na aanpassing, want met die huidige multiple choice-vragen is nogal wat mis. MC is vooral handig voor de docent, het nakijken gaat als een trein. Voor de leerling is het niet handig, omdat je vooral toetswijsheid moet hebben, de handigheid om met MC-vragen om te gaan.

Wordt er werkelijk valide en betrouwbaar getoetst op leesvaardigheid? Ik vraag het me af. Wat moeten leerlingen op het voortgezet onderwijs (welk schooltype maakt niet uit) kunnen als het gaat om leesvaardigheid? Leerlingen moeten de kern uit een tekst te kunnen halen. Dat is eigenlijk dat ze samen moeten kunnen vatten wat een ander schrijft.

Het examen Nederlands voor het vmbo-BB zou uit vier teksten moeten bestaan met onder iedere tekst de opdracht:

Vat iedere alinea samen in één zin. Zet alle zinnen achter elkaar zodat je een goedlopende samenvatting krijgt. Zorg ervoor dat je totale samenvatting uit minimaal zoveel en maximaal zoveel woorden bestaat.

De leerling kan zich goed voorbereiden op het examen, want hij weet wat er gevraagd gaat worden. Geen verwarrende MC-vragen, geen lees- én schrijfvaardigheid in één examen, maar duidelijkheid en eenduidigheid.

Eindexamen Nederlands (3)

Het havo-examen Nederlands was gisteren, het vwo-examen eergisteren en vandaag waren de leerlingen van vmboTL, GL en KB aan de beurt. TL en GL hebben hetzelfde examen, dat van KB wijkt voor een deel af. Het vmbo-TL/GL-examen bestaat uit een tekstboekje, een opdrachtenboekje en een uitwerkboekje. Voor de docent komt daar nog het correctievoorschrift bij. Ook het KB-examen kent een tekstboekje, opdrachtenboekje, uitwerkboekje en correctievoorschrift.

Deze vmbo-examens kennen drie categorieën: teksten met vragen, een tekst om samen te vatten en een schrijfopdracht (brief). Dit geheel dient binnen twee uur afgeraffeld te worden. Een examen is een serieuze zaak, er hangt veel vanaf voor de kandidaat, misschien wel zijn toekomst. Wat doen we in Nederland om een goed beeld te krijgen van het niveau van taalbeheersing? We laten de eindexamenkandidaten drie verschillende soorten opgaven maken in slechts twee uur tijd. Als kandidaat heb je geen tijd om na te denken, je bent je twee uur lang de blubber aan het schrijven.
Lees verder >>

Eindexamen Nederlands (2)

Gisteren ondergingen de vwo-leerlingen het eindexamen Nederlands, vandaag waren de havisten aan de beurt. Ook op dit schooltype is de samenvatting een onderdeel van het examen en ook op dit schooltype is de samenvattingsopdracht verworden tot een kunstje.

Kunstjes zijn heel leuk, maar je hebt er zo weinig aan. Ik kan een muntstuk laten verdwijnen achter mijn rechteroog, om het vervolgens weer tevoorschijn te laten komen via mijn keel. Dat is een leuk kunstje om mijn kleine neefje mee te verbazen. Iets soortgelijks is het examen Nederlands (maar dan zonder de verbazing). Na een paar keer oefenen weet je hoe het moet en kun je dit examen maken. Twee dingen zijn ervoor nodig: (1) vergeet alles wat je ooit geleerd hebt en (2) denk niet dat deze manier van samenvatten ergens toe leidt.

De teksten van het havo-examen staan hier, de opdrachten staan hier en als je het gemaakte werk na gaat kijken, dan heb je het correctievoorschrift nodig. De samenvattingsopdracht is als volgt:

Maak een goedlopende samenvatting in correct Nederlands van maximaal 200 woorden van de tekst ‘Bambi en het aah-gevoel’. Zorg ervoor dat deze samenvatting begrijpelijk is voor iemand die de oorspronkelijke tekst niet kent.
Uit je samenvatting moet duidelijk worden:
− wat het ‘aah’-gevoel ten aanzien van dieren inhoudt;
− hoe men in de oudheid de verhouding tussen mens en dier zag en wat vooral als verschil tussen mens en dier werd gezien;
− welke andere ontwikkelingen met betrekking tot (de kijk op) het dier vanaf de zeventiende eeuw volgden;
− hoe een groeiende kritiek op het denken tot een herwaardering van het dier leidde;
− met welke houding ten opzichte van dieren deze herwaardering samenging;
− hoe twee twintigste-eeuwse uitbeeldingen van het dierenfiguurtje Bambi een ontwikkeling in de houding van de mens ten opzichte van het dier laten zien;
− welk effect aan de meest recente uitbeelding van Bambi wordt toegeschreven.

Net als bij het vwo-examen dien je ook nu gewoon de streepjes te volgen. Begin je samenvatting met: ‘Het ‘aah’-gevoel ten aanzien van dieren houdt in…’. Als je alle zeven streepjes op deze manier nagelopen hebt, dan is een onvoldoende voor dit onderdeel schier onmogelijk.

Wat een gemiste kans is dit toch, onze havisten verdienen beter. Samenvatten dient een vaardigheid te zijn (1) waarvoor je goed moet oefenen en (2) waar je echt iets aan hebt.

Eindexamen Nederlands

Deze week zijn de eindexamens van het voortgezet onderwijs. Dus ook voor het schoolvak Nederlands moeten de scholieren aan de bak. Een belangrijk onderdeel van het examen Nederlands is de samenvatting – sinds mensenheugenis. Toen ik in 1988 vwo-examen deed moest ik een lange tekst samenvatten tot 500 woorden. Dat was de enige opdracht: ‘Vat deze tekst samen, gebruik niet meer dan 500 woorden.’ Ik citeer uit mijn hoofd, dus de precieze formulering kan afwijken.

Het schoolvak Nederlands kent een stel nutteloze onderdelen, zoals poëzie-onderwijs, en een stel nuttige. Dat nutteloze is prachtig! De kennismaking met literatuur voor volwassenen hoort op het voortgezet onderwijs thuis en ik vind het belangrijk dat er veel lesuren aan besteed worden. Het schoolvak Nederlands kent ook een paar nuttige onderdelen, zoals de samenvatting.

Niemand vond het leuk, die samenvatting. Toch vonden we het inderdaad nuttig, want (zo vertelde de docent) goed kunnen samenvatten is een vaardigheid waar je de rest van je leven wat aan hebt. Zeker als je gaat studeren. En hij had gelijk. Of het komt door de oefeningen en het examen, weet ik niet, maar ik denk dat ik best goed kan samenvatten, een vaardigheid die mij geregeld van pas komt.

Met de komst van de Tweede Fase is de samenvattingsopdracht veranderd. Hij zit er nog wel in, maar het is een kleiner deel van een groter leesvaardigheidsgeheel geworden. De samen te vatten tekst is korter en ook de samenvatting die de leerling moet maken is korter. Bovendien krijgt de kandidaat hulp geboden, door middel van aanwijzingen wordt hij aan het handje mee door de tekst genomen.

Je kunt het vwo-examen zelf ook maken, want het tekstboekje, de opgaven en het correctievoorschrift staan online. De samenvattingsopdracht staat op de laatste pagina en is als volgt:

Maak een goedlopende samenvatting in correct Nederlands van de tekst ‘Ornament en smaakdictaat’ in maximaal 180 woorden. Zorg ervoor dat je samenvatting begrijpelijk is voor iemand die de oorspronkelijke tekst niet kent.

Dat lijkt een prima opdracht, de examenkandidaten krijgen er echter aanwijzingen bij:

Uit je samenvatting moet duidelijk worden:
– hoe de invloed van de culturele elite was en is op kunst in het algemeen en de architectuur in het bijzonder;
– tot welk voorschrift deze invloed heeft geleid;
– welke ontwikkelingen hebben bijgedragen tot toepassing van dit voorschrift en bij welke maatschappelijke tendensen dit voorschrift goed aansloot;
– van waaruit en hoe inmiddels een andere benadering waarneembaar is;
– welke tegenstelling de auteur signaleert en hoe hij daar tegenover staat.

Je hoeft dus niet meer te kunnen samenvatten, het enige wat nodig is, is dat je de streepjes volgt. Er zijn vijf streepjes, dus als je samenvatting uit die vijf onderdelen bestaat, dan kan het niet meer stuk. Het antwoord wordt min of meer weggegeven in de opgave.

Stel dat je tijdens je studie een tekst samenvat om hem voor te bereiden voor een tentamen, staan er dan ook van die streepjes onder waar je rekening mee moet houden? Nee, natuurlijk niet. Wat je geleerd hebt voor je eindexamen Nederlands kan dus linea recta de prullenbak in. Samenvatten is geen vaardigheid meer, het is een kunstje geworden. Samenvatten is niet leuk, maar het is ook niet eens meer nuttig.

Geen dubbele ontkenning

Dubbele ontkenningen zijn interessant, er zijn diverse talen die dubbele ontkenningen gewoon als enkele ontkenning gebruiken. Dit is onlogisch, omdat iedereen weet dat min maal min gelijk is aan plus. ‘Het is niet onlogisch’ betekent ‘het is logisch’, de twee ontkenningen kun je tegen elkaar wegstrepen. Maar ja, grammatica houdt zich niet altijd aan de logica.

In het Middelnederlands had de dubbele ontkenning de betekenis van de enkele, zinnen met ‘en…niet’ betekenen gewoon ‘niet’. Zoals dit voorbeeld uit het Gruuthuse-manuscript:
Lees verder >>

Meisje die

Over ‘het meisje die…’ winden waarschijnlijk veel mensen zich op – ik ben de eerste niet die er een stukje over schrijft. Waarschijnlijk zal ik ook de laatste niet zijn. ‘Het meisje die’ is fout, want het moet ‘het meisje dat’ zijn: ‘meisje’ is een onzijdig woord en naar onzijdige woorden verwijzen we met ‘dat’.

Op de site van de Nederlandse Taalunie staat een m.i. rare uitleg, het is ‘het meisje dat’, maar ‘het schoolhoofd die’ en ‘het vriendinnetje die’. In de toelichting staat dat wanneer het biologisch geslacht belangrijker is dan het woordgeslacht, je wel met ‘die’ mag verwijzen (ik parafraseer hier heel erg kort door de bocht, dat weet ik). Het rare is dat de Taalunie dit niet bij ‘meisje’ goedkeurt. Alsof bij ‘meisje’ het biologische geslacht er niet toe doet, doch natuurlijk is een meisje van het vrouwelijke geslacht. In tegenstelling tot het schoolhoofd, want dat kan zowel mannelijk als vrouwelijk zijn, zodat ‘dat’ een mooi neutraal verwijswoord is. ‘Het schoolhoofd dat’ is dan niet alleen grammaticaal correct, het is ook politiek correct gepolderd.

Lees verder >>

wielerkoersverhaalanalyse

We zitten midden in het voorjaarswielerseizoen, enkele grote koersen zijn al achter de rug – vele zullen er nog volgen. Wielrennen is een heel literaire sport, er valt blijkbaar goed te schrijven over de koers. Er zijn verhalen over de wielerkoers, maar is de wielerkoers ook een verhaal?
Het antwoord daarop is ‘Ja.’ Kijk maar naar de ruimte, de tijd en de personages.
Een wielerwedstrijd speelt zich af op de openbare weg, hetgeen betekent dat er een ‘echte ruimte’ is. De hoofdrolspelers verplaatsen zich door een felrealistisch decor: de regen is echte regen en zonneschijn is echte zonneschijn. Sommige regisseurs laten veel van het landschap zien: koeien in de wei, kastelen in het bos, boeren werkend op het land. Dat is toch eigenlijk net zoals sommige auteurs vertellen over het landschap?
De tijd speelt ook een belangrijke rol, want net als in een verhaal verstrijkt de tijd: komt de eenzame achtervolger op tijd bij de kopgroep? Deze vraag staat min of meer gelijk aan het spanningsverhogende element of de held de ontsnapte boeven weet te achterhalen. Een spannende koers wil je uitzien, zoals je ook een spannend verhaal niet weg kunt leggen.
Ieder verhaal heeft een hoofdpersoon, de held van het verhaal; iedere koers heeft ook een held. En net als in ieder verhaal de held helpers en tegenstanders heeft, zo heeft ook de winnaar zijn helpers gehad (de ploegmaats) en tegenstanders.
Wat het allermooist is aan deze vorm van wielerkoersverhaalanalyse is dat de held het meisje krijgt. Eind goed, al goed.

‘Zo sluw als een vos’

Taal is niet alleen maar gewoon taal, want met taal kun je bijzondere en creatieve dingen doen. In deze les staat de creativiteit van de taal centraal: we gaan kijken hoe de vos door de taal in onze cultuur terecht is gekomen. Strikt genomen is dit dus geen taalles, maar een cultuurles – misschien een leuke en ludieke (maar toch leerzame) afsluiting na een periode hard werken.
Ik heb hier al eerder geschreven wat je met fabels in de klas zou kunnen doen, maar het kan geen kwaad om nogmaals aandacht te besteden aan Esopet.

De oudste Europese verhalen waar de vos in voorkomt, zijn de fabels van de Griekse schrijver Aesopus uit ongeveer 600 voor Christus. Sinds die tijd zijn fabels met vossen niet meer weg te denken uit de diverse Europese culturen. Ook in de Nederlandse cultuur en literatuur komt de vos voor, zoals in Esopet uit de dertiende eeuw. Esopet bestaat uit 67 fabels over dieren. Het is niet bekend wie de fabels geschreven hebben, maar er worden al eeuwenlang twee auteurs genoemd: Calfstaf en Noydekijn.

De bekendste fabel in Esopet is nummer XV:

Lees verder >>

Door rap tot rederijkers

Iedere taal kent zo zijn eigen stuntrijmers en onzindichters. Een mooi vroeg voorbeeld uit de Nederlandse literatuur is refereyn CXXXVIII (met de stok ‘Die niet en wil horen en dooch geen gabaert’) uit de refereynbundel van Jan van Doesborch uit 1524. In dit gedicht buitelen allerlei woorden die ‘aart’ eindigen over elkaar heen.

Van veel recenter datum zijn De Blauwbilgorgel van Cees Buddingh’ en Barlemanje van Maarten Toonder – om een paar onzingedichten te noemen. Bekende stuntrijmers uit de rederijkerstraditie zijn uiteraard Drs. P, Ivo de Wijs en Frank van Pamelen.

Nederlandstalige rapmuziek komt de laatste tijd bijzonder origineel uit de hoek, ik signaleerde eerder al rapper Kapabel, die in de fabeltraditie past. Hier en nu wil ik een lans breken voor De Jeugd van Tegenwoordig. Lees verder >>

Anna Bijns als debater

Op dinsdag 28 februari verdedigde Judith Kessler haar proefschrift over Anna Bijns. Het blijkt een heel andere studie dan het recentste boek van Herman Pleij dat ook over Bijns gaat. Overigens heet dat boek van Pleij Anna Bijns, maar het gaat helemaal niet over haar. Wel kom je als lezer veel te weten over het (literaire) leven in Antwerpen in de zestiende eeuw. Pleij schrijft daar gepassioneerd en met veel kennis van zaken over – het is een prachtboek voor een groot publiek.

Het proefschrift van Kessler is heel anders, hoewel het ook niet over Anna Bijns gaat. Dat wil zeggen: het gaat niet over Anna Bijns als persoon. Kessler schrijft over de poëzie van Bijns. En hoe! En hoe?

Judith Kessler hanteert een revolutionaire aanpak om de refereynen van Anna Bijns te analyseren. Ze laat de gebruikelijke poëzie-analyse links liggen, dus verwacht geen stijlfiguren, rijmschema’s en vormen van beeldspraak. Verwacht wel argumentatieschema’s, standpunten en onderbouwingen. Kessler analyseert de refereynen als een opzetbeurt in een beleidsdebat.

En wat blijkt? Deze moderne argumentatietechnische invalshoek werpt zijn vruchten af, taalbeheersing en literatuurgeschiedenis ontmoeten en versterken elkaar. Is dit een nieuwe manier om literair-historische teksten aan te pakken? Nou, dat zou best eens kunnen.

Gratis boekenweeksonnettenkrans

Veertien Tilburgse dichters* hebben vanwege de boekenweek samen vijftien sonnetten geschreven. Geheel vriendschappelijk. En omdat deze veertien aardige jongens allemansvrienden zijn, kan iedereen deze sonnettenkrans gratis downloaden. Iedereen, dus ook mensen die niet in Tilburg wonen.
_____________
*) Martijn Neggers, Nathan de Groot, Daan Taks, Esther Porcelijn, Jeroen Kant, Robert Proost, Andrew Cartwright, Bas Jongenelen, Martin Beversluis, Frank van Pamelen, Pjotr Eikenboom, Nick J Swarth en Jasper Mikkers.

Hip-hop uit de zestiende eeuw

In de zestiende eeuw was het refereyn één van de belangrijkste literaire genres. Een belangrijk onderdeel van het refereyn was de voordracht, maar helaas weet niemand hoe deze voordrachten geklonken moesten hebben. Zoals mijn voormalig docent Jan Heersche zei: ‘Ze hebben de geluidsbanden weggegooid.’

Volgens Herman Pleij werden de refereynen gezingzegd, en klonken ze min of meer als raps. Deze theorie indachtig heb ik met beat creator Barry Studebaker en producer Marco Martens (Macronizm) het refereyn ‘Nv segt mi wie heeft den prijs ghewonnen’ opgenomen alsof het een raptekst was.

Dit refereyn komt uit de refereynenbundel van Jan van Doesborch uit circa 1524. De tekst is slechts op een paar details gewijzigd, verder heb ik de uitspraak zo modern mogelijk gemaakt. De muziek is absoluut niet zestiende-eeuws – als je de plank mis slaat, sla hem dan ook goed mis.

Klik hier om de hip-hop-variant van ‘Nv segt mi wie heeft den prijs ghewonnen’ te beluisteren.

Kapabel-fabel


Tijdens de Noorderslag-tv-uitzending (ergens in januari was dat) werd er een band aangekondigd als ‘De Avonden’. Ik spitste mijn oren, doch hoe ik ook luisterde, nergens was er ook maar een vleugje revianisme te herkennen in het optredende bandje. Ik luisterde toch goed, ik hoorde een rapper – die Kapabel heette – teksten voordragen over beestjes. Sterker nog: rapper Kapabel rapte dat het een aard had, met De Avonden had het totaal niets te maken.

Lees verder >>

Rutger en Bervoete Broers

In de klucht De Bervoete Broers uit 1559 haalt de treiterige Hans Goetbloet het bloed onder de nagels van de franciscaner monniken vandaan. Deze monniken worden afgeschilderd als volgevreten fatsoensrakkers die ervan overtuigd zijn dat ze het gelijk aan hun kant hebben, en één van hen aarzelt niet Hans af te tuigen om zijn argumentatie kracht bij te zetten. Voor de vechtpartij begint trekt de monnik eerst zijn pij uit, zodat hij op dat moment geen monnik meer is en er wél op los mag meppen.

Aan deze klucht moest ik denken, toen Rutger Castricum van PowNews op bezoek ging bij Naeme Tahir om haar te bevragen over de persvrijheid. Tahir had in haar Buitenhof-column betoogd dat er grenzen zijn aan wat journalisten mogen doen. Helaas voor Castricum is Naeme Tahir getrouwd met Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie. Kinneging trok zijn professorale toga uit en legde zijn boek Geografie van goed en kwaad aan de kant toen Castricum aanbelde. Kinneging bleek een hoogleraar in de filosofie van de rechtse directe; een schermutseling op de wijze van voor de Franse revolutie volgde.

Uiteindelijk liep alles toch nog goed af. Zowel de monnik als de hoogleraar sloeg de tegenstander niet volledig in elkaar, zowel Hans Goetbloet als Rutger Castricum belandde niet in het ziekenhuis. De conclusie is dat de Nederlandse samenleving steeds kluchtiger wordt, maar waarom horen we zo weinig mensen lachen?

Esopet in de onderbouw

Maar al te vaak denken docenten Nederlands dat oudere literatuur typisch iets voor de bovenbouw van het vwo is. Niets is minder waar. Veel oude teksten zijn zeer bruikbaar in de onderbouw, je moet er echter wel iets voor doen om zo’n verhaal toegankelijk te maken. Met een goede tekstkeuze en genoeg enthousiasme krijg je je leerlingen heus wel warm voor, laten we zeggen, een Middeleeuws verhaal.
Hieronder heb ik een lessencyclus van drie lessen over Esopet, je weet wel, die Middelnederlandse fabelbundel. Leuke korte verhaaltjes, waar je in 2 havo echt wel iets mee kunt, of in een brugklas. Er hoort ook een leerlingenboekje met opdrachten bij. Aan de slag! En laat me weten hoe het gegaan is.

Lees verder >>

Cornelis Everaert, De klucht van de visser

Cornelis Everaert was een zestiende-eeuwse Brugse rederijker over wie weinig bekend is. Gelukkig heeft hij op een gegeven moment al zijn 35 toneelstukken voor zichzelf overgeschreven, anders was er ook geen enkel werk van hem overgeleverd. Nu zijn deze 35 werken een belangrijk onderdeel van de ons bekende rederijkersliteratuur en is Everaert een belangrijke auteur uit onze literatuurgeschiedenis. Zijn verzameld werk is door Wim Hüsken uitgegeven bij Verloren, De klucht van de visser is hier te lezen. Van zo’n schrijver is toch zeker wel iets voor een groter publiek uitgegeven? Nee, tot op heden zijn Everaerts toneelstukken niet vertaald in modern Nederlands. We hebben een primeur op Neder-L, want hieronder staat de allereerste vertaling van De klucht van de visser. Het is een allereerste versie, dus opmerkingen zijn welkom in de opmerkingen.

Lees verder >>