Auteur: Bas Jongenelen

wielerkoersverhaalanalyse

We zitten midden in het voorjaarswielerseizoen, enkele grote koersen zijn al achter de rug – vele zullen er nog volgen. Wielrennen is een heel literaire sport, er valt blijkbaar goed te schrijven over de koers. Er zijn verhalen over de wielerkoers, maar is de wielerkoers ook een verhaal?
Het antwoord daarop is ‘Ja.’ Kijk maar naar de ruimte, de tijd en de personages.
Een wielerwedstrijd speelt zich af op de openbare weg, hetgeen betekent dat er een ‘echte ruimte’ is. De hoofdrolspelers verplaatsen zich door een felrealistisch decor: de regen is echte regen en zonneschijn is echte zonneschijn. Sommige regisseurs laten veel van het landschap zien: koeien in de wei, kastelen in het bos, boeren werkend op het land. Dat is toch eigenlijk net zoals sommige auteurs vertellen over het landschap?
De tijd speelt ook een belangrijke rol, want net als in een verhaal verstrijkt de tijd: komt de eenzame achtervolger op tijd bij de kopgroep? Deze vraag staat min of meer gelijk aan het spanningsverhogende element of de held de ontsnapte boeven weet te achterhalen. Een spannende koers wil je uitzien, zoals je ook een spannend verhaal niet weg kunt leggen.
Ieder verhaal heeft een hoofdpersoon, de held van het verhaal; iedere koers heeft ook een held. En net als in ieder verhaal de held helpers en tegenstanders heeft, zo heeft ook de winnaar zijn helpers gehad (de ploegmaats) en tegenstanders.
Wat het allermooist is aan deze vorm van wielerkoersverhaalanalyse is dat de held het meisje krijgt. Eind goed, al goed.

‘Zo sluw als een vos’

Taal is niet alleen maar gewoon taal, want met taal kun je bijzondere en creatieve dingen doen. In deze les staat de creativiteit van de taal centraal: we gaan kijken hoe de vos door de taal in onze cultuur terecht is gekomen. Strikt genomen is dit dus geen taalles, maar een cultuurles – misschien een leuke en ludieke (maar toch leerzame) afsluiting na een periode hard werken.
Ik heb hier al eerder geschreven wat je met fabels in de klas zou kunnen doen, maar het kan geen kwaad om nogmaals aandacht te besteden aan Esopet.

De oudste Europese verhalen waar de vos in voorkomt, zijn de fabels van de Griekse schrijver Aesopus uit ongeveer 600 voor Christus. Sinds die tijd zijn fabels met vossen niet meer weg te denken uit de diverse Europese culturen. Ook in de Nederlandse cultuur en literatuur komt de vos voor, zoals in Esopet uit de dertiende eeuw. Esopet bestaat uit 67 fabels over dieren. Het is niet bekend wie de fabels geschreven hebben, maar er worden al eeuwenlang twee auteurs genoemd: Calfstaf en Noydekijn.

De bekendste fabel in Esopet is nummer XV:

Lees verder >>

Door rap tot rederijkers

Iedere taal kent zo zijn eigen stuntrijmers en onzindichters. Een mooi vroeg voorbeeld uit de Nederlandse literatuur is refereyn CXXXVIII (met de stok ‘Die niet en wil horen en dooch geen gabaert’) uit de refereynbundel van Jan van Doesborch uit 1524. In dit gedicht buitelen allerlei woorden die ‘aart’ eindigen over elkaar heen.

Van veel recenter datum zijn De Blauwbilgorgel van Cees Buddingh’ en Barlemanje van Maarten Toonder – om een paar onzingedichten te noemen. Bekende stuntrijmers uit de rederijkerstraditie zijn uiteraard Drs. P, Ivo de Wijs en Frank van Pamelen.

Nederlandstalige rapmuziek komt de laatste tijd bijzonder origineel uit de hoek, ik signaleerde eerder al rapper Kapabel, die in de fabeltraditie past. Hier en nu wil ik een lans breken voor De Jeugd van Tegenwoordig. Lees verder >>

Anna Bijns als debater

Op dinsdag 28 februari verdedigde Judith Kessler haar proefschrift over Anna Bijns. Het blijkt een heel andere studie dan het recentste boek van Herman Pleij dat ook over Bijns gaat. Overigens heet dat boek van Pleij Anna Bijns, maar het gaat helemaal niet over haar. Wel kom je als lezer veel te weten over het (literaire) leven in Antwerpen in de zestiende eeuw. Pleij schrijft daar gepassioneerd en met veel kennis van zaken over – het is een prachtboek voor een groot publiek.

Het proefschrift van Kessler is heel anders, hoewel het ook niet over Anna Bijns gaat. Dat wil zeggen: het gaat niet over Anna Bijns als persoon. Kessler schrijft over de poëzie van Bijns. En hoe! En hoe?

Judith Kessler hanteert een revolutionaire aanpak om de refereynen van Anna Bijns te analyseren. Ze laat de gebruikelijke poëzie-analyse links liggen, dus verwacht geen stijlfiguren, rijmschema’s en vormen van beeldspraak. Verwacht wel argumentatieschema’s, standpunten en onderbouwingen. Kessler analyseert de refereynen als een opzetbeurt in een beleidsdebat.

En wat blijkt? Deze moderne argumentatietechnische invalshoek werpt zijn vruchten af, taalbeheersing en literatuurgeschiedenis ontmoeten en versterken elkaar. Is dit een nieuwe manier om literair-historische teksten aan te pakken? Nou, dat zou best eens kunnen.

Gratis boekenweeksonnettenkrans

Veertien Tilburgse dichters* hebben vanwege de boekenweek samen vijftien sonnetten geschreven. Geheel vriendschappelijk. En omdat deze veertien aardige jongens allemansvrienden zijn, kan iedereen deze sonnettenkrans gratis downloaden. Iedereen, dus ook mensen die niet in Tilburg wonen.
_____________
*) Martijn Neggers, Nathan de Groot, Daan Taks, Esther Porcelijn, Jeroen Kant, Robert Proost, Andrew Cartwright, Bas Jongenelen, Martin Beversluis, Frank van Pamelen, Pjotr Eikenboom, Nick J Swarth en Jasper Mikkers.

Hip-hop uit de zestiende eeuw

In de zestiende eeuw was het refereyn één van de belangrijkste literaire genres. Een belangrijk onderdeel van het refereyn was de voordracht, maar helaas weet niemand hoe deze voordrachten geklonken moesten hebben. Zoals mijn voormalig docent Jan Heersche zei: ‘Ze hebben de geluidsbanden weggegooid.’

Volgens Herman Pleij werden de refereynen gezingzegd, en klonken ze min of meer als raps. Deze theorie indachtig heb ik met beat creator Barry Studebaker en producer Marco Martens (Macronizm) het refereyn ‘Nv segt mi wie heeft den prijs ghewonnen’ opgenomen alsof het een raptekst was.

Dit refereyn komt uit de refereynenbundel van Jan van Doesborch uit circa 1524. De tekst is slechts op een paar details gewijzigd, verder heb ik de uitspraak zo modern mogelijk gemaakt. De muziek is absoluut niet zestiende-eeuws – als je de plank mis slaat, sla hem dan ook goed mis.

Klik hier om de hip-hop-variant van ‘Nv segt mi wie heeft den prijs ghewonnen’ te beluisteren.

Kapabel-fabel


Tijdens de Noorderslag-tv-uitzending (ergens in januari was dat) werd er een band aangekondigd als ‘De Avonden’. Ik spitste mijn oren, doch hoe ik ook luisterde, nergens was er ook maar een vleugje revianisme te herkennen in het optredende bandje. Ik luisterde toch goed, ik hoorde een rapper – die Kapabel heette – teksten voordragen over beestjes. Sterker nog: rapper Kapabel rapte dat het een aard had, met De Avonden had het totaal niets te maken.

Lees verder >>

Rutger en Bervoete Broers

In de klucht De Bervoete Broers uit 1559 haalt de treiterige Hans Goetbloet het bloed onder de nagels van de franciscaner monniken vandaan. Deze monniken worden afgeschilderd als volgevreten fatsoensrakkers die ervan overtuigd zijn dat ze het gelijk aan hun kant hebben, en één van hen aarzelt niet Hans af te tuigen om zijn argumentatie kracht bij te zetten. Voor de vechtpartij begint trekt de monnik eerst zijn pij uit, zodat hij op dat moment geen monnik meer is en er wél op los mag meppen.

Aan deze klucht moest ik denken, toen Rutger Castricum van PowNews op bezoek ging bij Naeme Tahir om haar te bevragen over de persvrijheid. Tahir had in haar Buitenhof-column betoogd dat er grenzen zijn aan wat journalisten mogen doen. Helaas voor Castricum is Naeme Tahir getrouwd met Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie. Kinneging trok zijn professorale toga uit en legde zijn boek Geografie van goed en kwaad aan de kant toen Castricum aanbelde. Kinneging bleek een hoogleraar in de filosofie van de rechtse directe; een schermutseling op de wijze van voor de Franse revolutie volgde.

Uiteindelijk liep alles toch nog goed af. Zowel de monnik als de hoogleraar sloeg de tegenstander niet volledig in elkaar, zowel Hans Goetbloet als Rutger Castricum belandde niet in het ziekenhuis. De conclusie is dat de Nederlandse samenleving steeds kluchtiger wordt, maar waarom horen we zo weinig mensen lachen?

Esopet in de onderbouw

Maar al te vaak denken docenten Nederlands dat oudere literatuur typisch iets voor de bovenbouw van het vwo is. Niets is minder waar. Veel oude teksten zijn zeer bruikbaar in de onderbouw, je moet er echter wel iets voor doen om zo’n verhaal toegankelijk te maken. Met een goede tekstkeuze en genoeg enthousiasme krijg je je leerlingen heus wel warm voor, laten we zeggen, een Middeleeuws verhaal.
Hieronder heb ik een lessencyclus van drie lessen over Esopet, je weet wel, die Middelnederlandse fabelbundel. Leuke korte verhaaltjes, waar je in 2 havo echt wel iets mee kunt, of in een brugklas. Er hoort ook een leerlingenboekje met opdrachten bij. Aan de slag! En laat me weten hoe het gegaan is.

Lees verder >>

Cornelis Everaert, De klucht van de visser

Cornelis Everaert was een zestiende-eeuwse Brugse rederijker over wie weinig bekend is. Gelukkig heeft hij op een gegeven moment al zijn 35 toneelstukken voor zichzelf overgeschreven, anders was er ook geen enkel werk van hem overgeleverd. Nu zijn deze 35 werken een belangrijk onderdeel van de ons bekende rederijkersliteratuur en is Everaert een belangrijke auteur uit onze literatuurgeschiedenis. Zijn verzameld werk is door Wim Hüsken uitgegeven bij Verloren, De klucht van de visser is hier te lezen. Van zo’n schrijver is toch zeker wel iets voor een groter publiek uitgegeven? Nee, tot op heden zijn Everaerts toneelstukken niet vertaald in modern Nederlands. We hebben een primeur op Neder-L, want hieronder staat de allereerste vertaling van De klucht van de visser. Het is een allereerste versie, dus opmerkingen zijn welkom in de opmerkingen.

Lees verder >>

Jan van Beverley

Vanaf vandaag zal Bas Jongenelen geregeld bijdragen aan Neder-L. Jongenelen werkt als docent Nederlands aan de Fontys Lerarenopleiding Tilburg en is een van de oprichters van de Barthelomeus Societies for Medieval Studies. Wij heten hem van harte welkom!

Aan het begin van de zestiende eeuw publiceerde Thomas van der Noot in Brussel Die historie van Jan van Beverley. Het is een verhaal dat qua vorm en thematiek sterk lijkt op Mariken van Nieumeghen. De hoofdpersoon is de zoon van de Engelse graaf van Beverly, en in dat graafschap speelt het verhaal zich af (op een klein uitstapje naar Rome na). De volledige tekst is hier te lezen.
Tot nu toe heeft niemand ooit een aanwijzing gevonden dat dit verhaal ook in Beverly zelf bekend was. Toen Ben Parsons de plaatselijke kerk bezocht, kwam hij op één van de koorbanken een houten figuur tegen. Het is een harig beest met een mannenkop – precies zoals Jan van Beverley in het verhaal beschreven en afgebeeld wordt. Zou er dan toch een connectie zijn tussen de Brusselse Beverley en het Engelse Beverly? Parsons dacht van wel. Ik denk het ook, misschien. Meer info: Ben Parsons, ‘Saint John of Beverley?’ in: Folklore Society News 67, pp. 4-5.