Over kannibalen verhalen

Attractie Monsieur Cannibale in de Efteling (“Monsieur Cannibale” by m-gem is licensed under CC BY-NC 2.0)

Door Theo Meder

Het fenomeen kannibalisme kan teruggevonden worden in alle soorten volksverhalen: sprookjes, sagen, legenden, moppen en broodjeaapverhalen. Het onderwerp kannibalisme maakt indruk, maar in een grote database als de Nederlandse Volksverhalenbank met ruim 48.000 vertellingen, worden er uiteindelijk maar 61 gevonden – dat is 0,1%. Wat hebben de verhalen te vertellen over kannibalisme?

Ik beperk me hier tot de definitie van mensen die andere mensen eten (het komt ook onder dieren wel voor dat ze hun eigen soortgenoten opeten). Kannibalisme komt over de hele wereld voor, zowel uit overlevingsdrang bij hongersnood als bij geesteszieke seriemoordenaars. In werkelijkheid komt de beschuldiging van kannibalisme veel vaker voor dan daadwerkelijk kannibalisme. Denk bijvoorbeeld maar aan al die bespottelijke voorstellingen van Afrikanen die missionarissen in de kookpot stoppen. Hoogstens kwam ritueel kannibalisme voor: het hart van een verslagen vijand werd bijvoorbeeld wel op het vuur gegooid en een beetje as werd nadien door de stam gegeten om op een rituele manier de dapperheid en geestkracht van de tegenstander te incorporeren. Echter, de voorstelling van zwarte mensen als menseneters met botjes door hun neus kwam de witte kolonisators, slavenhandelaren en missionarissen heel goed uit. Het toonde de wildheid van ‘inboorlingen’ aan, die nodig wat christelijke beschaving bijgebracht moesten worden.

In feite geldt het eten van mensen in vrijwel alle culturen als een ultiem taboe. Als men iemand van de ergst denkbare misdaad wil beschuldigen, dan is kannibalisme daartoe uiterst geschikt (net als kindermisbruik en incest trouwens). In het Bijbelboek Genesis staat reeds te lezen dat de mens over alle vissen, vogels, zoogdieren en gewassen is aangesteld, en dat hij alles mag eten. De mens wordt nadrukkelijk niet genoemd als voedselbron.

Met de smaak van mensenvlees heeft het allemaal niets te maken. Volgens enkele getuigen smaakt mensenvlees best goed, vergelijkbaar met kalfsvlees, en zacht als tonijn. Het verbod op het eten van mensenvlees is een ‘cultural constraint’ met een evolutionair voordeel: het gaat uitdunning van de genenpoel tegen.

We beginnen met sprekende voorbeelden van (beschuldigingen van) wit kannibalisme in de vertelcultuur, en eindigen tenslotte met de karikatuur van het zwarte kannibalisme.

Sprookjes

Beginnen we bij de sprookjes, dan is het eerste waaraan men zal denken de mensenetende reus – er even van uitgaand dat een reus geen monster is, maar ook een mens, zij het een heel groot exemplaar. In de Angelsaksische wereld wordt hij een ‘ogre’ genoemd. De beroemdste is tegenwoordig Shrek (van de filmreeks), maar hij blijkt een vegetarische ‘ogre’ te zijn. Stereotiep is de reus uit het sprookje van Klein Duimpje (ATU 327B) die zijn huis komt binnenlopen met de ijzingwekkende opmerking: “Ik ruik mensenvlees!” Door een list met verwisselde kroontjes eet de reus zijn eigen dochtertjes op. Ook een sprookjesheks lust soms een vet hapje vlees, al komt dat minder vaak voor. De heks in Hans en Grietje (ATU 327A) mest Hans vet met de bedoeling om hem op te eten. Gelukkig wordt Hans uiteindelijk gered door zijn zusje.

Eigenlijk veel gruwelijker is het sprookje dat bij de gebroeders Grimm bekend staat onder de titel ‘Von dem Machandelboom’ (ATU 720). Een stiefmoeder kan haar stiefzoontje niet uitstaan. Als het jongetje op een dag in een grote appelkist kijkt, gooit zijn stiefmoeder het loodzware deksel zo hard dicht dat zijn hoofd van zijn romp gescheiden wordt. Vervolgens hakt de stiefmoeder het kind in kleine stukjes. Die avond serveert zij haar man een vleessoep die hij met smaak opeet, onbewust van dit kannibalisme. Halfzusje gooit de botjes onder de lindeboom, waarna het halfbroertje weer als een vogeltje tot leven komt. Vader en zusje brengt hij mooie cadeautjes, maar stiefmoeder krijgt uit wraak een molensteen op haar kop.

Dit sprookje behoort niet echt tot de canon, mogelijk vanwege zijn gruwelijkheid, en misschien ook vanwege de onwaarschijnlijke metamorfose. Een sprookje dat wel tot de canon behoort, is Sneeuwwitje (ATU 709), en in de oudere versies zitten nogal wat gruwelijkheden, die tegenwoordig vaak verzwegen worden. Zo staan er aan het eind van het verhaal metalen schoenen voor de stiefmoeder op het vuur: ze krijgt ze aangetrokken en danst zich vervolgens dood. Eerder had de stiefmoeder (in de oudste Grimm-versie: de moeder) aan de jager opdracht gegeven om Sneeuwwitje het bos in te nemen en te vermoorden. Daarna moest hij de longen en de lever meenemen als bewijs. De kok bakte de organen en de stiefmoeder at ze op. De boze koningin wist alleen niet dat de jager medelijden met Sneeuwwitje had gekregen, en dat hij de longen en lever van een jong wild zwijn mee terug nam. Niettemin, de koningin schrok niet terug voor kannibalisme, en dat toont maar aan hoe kwaadaardig zij was.

Beschuldigingen van kannibalisme komen in sprookjes ook af en toe voor. Dan is er een scène van een moeder met haar kind in de tuin. De moeder dommelt in slaap, een booswicht steelt het kind, en smeert bloed om de mond van de slapende moeder. Deze wordt er dan even later van beschuldigd haar eigen kind te hebben opgegeten.

In de bovengenoemde verhalen vindt uiteindelijk geen bewust kannibalisme plaats: in één geval weet de vader niet dat zijn zoontje in de soep zit, en in de andere gevallen loopt het met een sisser af.

Legenden en Sagen

In legenden kan kannibalisme nog voorkomen worden door ingrijpen van een heilige, maar in de sagen, die per definitie pessimistischer van aard zijn, gaat het soms echt mis.

Eén van de legenden die verklaren waarom Sint Nicolaas de beschermheilige van kinderen is, verhaalt over drie scholieren die op reis zijn en in een herberg moeten overnachten. Afgelegen herbergen hadden in het verleden nogal eens een slechte reputatie. Er kwam onguur volk alcohol drinken en gokken, en de uitbater was ook regelmatig een louche figuur. Zo ook in dit geval: hij vatte het plan op om de scholieren te beroven en vermoorden. Hij hakte de lichamen in stuken en bewaarde het vlees in een pekelvat. De volgende dag komt Sint Nicolaas voorbij de herberg, en een engel fluistert hem in wat er gebeurd is. In de herberg krijgt de heilige een verdacht bord vlees voorgeschoteld. Hij dwingt de herbergier tot een bekentenis, en doet de scholieren in het pekelvat uit de dood herrijzen.

Zoals gezegd kunnen herbergen onveilige plekken zijn, en in volksverhalen, met name sagen, worden ze wel aangeduid als moordherbergen. Zo kon het gebeuren dat gasten ‘s nachts in een kantelbed kwamen te liggen. Zodra de gasten sliepen, draaiden zulke bedden ondersteboven, terwijl het luik naar de kelder open ging. De slachtoffers vielen dan op een stapel lijken en werden om het leven gebracht. In één zo’n sage krijgen nieuwe gasten soep geserveerd waar een hand in drijft.

Broodjeaapverhalen

Kannibalisme is niet alleen een motief dat in traditionele volksverhalen voorkomt. Ook in moderne vertellingen zoals broodjeaapverhalen komt het voor. Zo is er het verhaal van de schipbreuk van een cruiseschip. Mensen verdrinken, maar een groep spoelt levend aan op een onbewoond eiland. Er trekken mensen op uit om voedsel te verzamelen, en de achterblijvers krijgen ‘s avonds albatrosvlees te eten. Jaren later, als de mensen eenmaal gered zijn, ziet iemand een restaurant waar broodjes albatros te koop zijn. Na een enkele hap vertrekt hij weer en pleegt zelfmoord. Het vlees dat hij destijds gegeten had, smaakte heel anders dan deze albatros: hij moet toen het vlees van drenkelingen gegeten hebben. De zelfmoord in het verhaal onderstreept de intense walging die kannibalisme oproept. Overigens kan dit verhaal ook in de vorm van een zogenaamde kwispel of een Black Story worden gegoten. In gezelschap kan de raadselmeester de afloop van een verhaal vertellen: “Een man gaat een restaurant binnen en bestelt een broodje albatros. Hij eet één hap, loopt naar buiten en maakt zichzelf van kant.” De luisteraars moeten dan vragen stellen om achter de voorafgaande plot te komen. De vragen mogen alleen met ja of nee beantwoord worden.

Een ietwat bekender broodjeaapverhaal heeft een internationale naam gekregen: BRUN 03155 – The Accidental Cannibals of ATU 1339G – The Relative in the Urn. Deze ‘urban legend’ is regelmatig als waar verteld, en heeft ook meermaals de krant gehaald. Een Nederlands gezin ontvangt vanuit Amerika (Canada, Australië) regelmatig een pakket met kleding en voedsel. Op een dag zat er ook een potje met zwart poeder bij, dat voor een specerij werd aangezien. Er wordt soep van gemaakt en het wordt over gerechten gestrooid. Het blijkt uiteindelijk een urn te zijn met de as van een gecremeerde oom of tante. In deze beide broodjeaapverhalen vindt kannibalisme plaats, maar het gebeurt uit onwetendheid. In het navolgende verhaal gaat het louter om een beschuldiging van kannibalisme.

Het motief speelt een zeer recente rol in complottheorieën afkomstig uit de hoek van Qanon. Volgens die theorieën bestaat er een geheime Cabal, een schaduwregering of Deep State, een elite die uit is op een fascistische wereldheerschappij, die een pervers pedofielen-netwerk onderhoudt en zich bezig houdt met satanische rituelen. Leden van dit genootschap zijn onder meer de Clintons, de Rothschilds en de Rockefellers (anti-semitisme speelt hier ook een rol). De vermeende satanisten geven zich over aan kindermisbruik, het drinken van babybloed en het eten van babies. Zoals al eerder gezegd: wie zijn vijanden wil demoniseren, beschuldigt ze het best van kannibalisme (en kindermisbruik). De connectie tussen babyroof, infanticide en joden bestaat overigens al sinds de middeleeuwen (de Blood Libel Legend), en vrijmetselaars – in een zeer gesloten, elitair genootschap – werden later eveneens van satanische rituelen verdacht.

Moppen

De laatste professionele moppentapper, die in kroegen, op feestjes en partijen optrad, was de Haagse Harry Touw (1924-1994), van televisie bekend als Fred Haché (VPRO). Hij was als moppentapper zo populair dat hij verschillende LP’s kon uitbrengen onder de titel ‘(Nog Meer) Bakken aan de Bar’. Hij vertelde onder andere de volgende mop:

Ene kannibaal tegen die andere kannibaal: “Eet jij nog mensen?”
Zegt die andere kannibaal: “Ik heb er één zien maken, voor mij hoeft het niet meer.”

Veel kannibalen-grappen en cartoons gaan over het karikaturale stereotype van mensen-etende Afrikaanse stammen met botjes door hun neus, die bij voorkeur missionarissen, ontdekkingsreizigers en andere witte Westerlingen in een grote ketel tot soep of stoofvlees koken. Het is een compleet fictieve voorstelling van zaken, maar niettemin heeft het cliché het zelfs geschopt tot attractie in de Efteling genaamd Monsieur Cannibale. Onder vrolijke Franse klanken kan men in een kookpot plaatsnemen en ronddraaien. In het midden, op een Afrikaanse trom, zit een grote zwarte kannibaal met dikke lippen en (in dit geval) een pollepel door zijn neus. Er is een wit koksmaatje bijgeplaatst, in de hoop dat het tafereel daar wat minder racistisch van zou worden. Er is meermalen geprotesteerd tegen deze voorstelling, maar de Efteling verdedigt zich tot nu toe met de stelling dat het een fictieve uitvergroting betreft van traditionele vertelstof.

Uit het voorafgaande kunnen we concluderen dat kannibalisme een (moreel) instrument is dat in volksverhalen kan worden ingezet om het taboe te benadrukken, om ultiem te griezelen, te ridiculiseren, te demoniseren en verdacht te maken.