Hoe een schilderij in taal tot leven kan komen

Door Marc van Oostendorp

Als ik één recent taalkundig proefschrift zou moeten aanraden aan een neerlandicus die eigenlijk meer geïnteresseerd is in literatuur, zou het Bringing Stories to Life zijn, dat Thijs Trompenaars vorige week in Nijmegen verdedigde – nota bene niet eens bij Nederlands, maar bij Taalwetenschap (zijn promotor was Helen de Hoop). Zoals uit de titel al een beetje blijkt, gaat het proefschrift over het verschil tussen mensen, andere levende wezens en levenloze objecten in taal, bezieldheid. Dat is een onderwerp dat zich de laatste jaren in de aandacht van een grote groep taalkundigen mag verheugen – en De Hoop speelt daar met haar groep een belangrijke rol in.

Bijzonder dat aan Trompenaars werk is dat hij er ook verhalen bij betrekt: zelf geconstrueerde verhalen voor experimenten, maar ook literatuur – met name analyseert hij de roman Specht en zoon van Willem Jan Otten, waarin de ik een schilderij is.

Klaverjassen

Bezieldheid is er in menselijke taal in graden. Het belangrijkst in het Nederlands is het verschil tussen mensen en niet-mensen: de eersten kun je bijvoorbeeld bevragen met wie, terwijl je voor de tweede wat nodig hebt (‘wie staat er in de wei?’, ‘wat staat er in de wei?’) In talen als het Japans en het Farsi, die Trompenaars allebei bestudeerde is het belangrijkste verschil dat tussen levende wezens en levenloze objecten – je gebruikt in de eerste taal een ander werkwoord zijn voor de ene groep dan voor de andere, en de tweede taal is de werkwoordsvervoeging gevoelig voor het onderscheid. Tegelijkertijd is het verschil, laat Trompenaars zien, pyschologisch niet binair: sprekers van deze talen zetten zaken op een schaal: een deurknop is minder bezield dan een auto, en een orchidee dan een spin.

In Specht en zoon is een schilderij aan het woord. Trompenaars bekeek onder andere wat voor soort zaken dat schilderij over zichzelf te melden had, wat voor werkwoorden het van toepassing verklaarde op zichzelf. Dat bleek niet zo veel te gaan over zogeheten actiewerkwoorden, zoals lopen of klaverjassen, werkwoorden waarbij het onderwerp actief iets doet (een agens is, heet dat in taalkundig jargon). Op zich is dat niet verrassend, zegt Trompenaars: “het schilderij is niet in staat om zelf te bewegen – wanneer het bijvoorbeeld op een gegeven moment richting een muur wordt geplaatst, is het machteloos om zichzelf om te draaien” Veel vaker kwamen werkwoorden voor die een indruk weergaven, zoals horen, zien en veronderstellen. Het onderwerp van die werkwoorden is niet actief bezig, het ondergaat de gemoedstoestanden als het ware.

Graden

Tegelijkertijd kun je natuurlijk wel zeggen: het schilderij liep de trap op, en zeker in een verhaal. Je brengt dat schilderij dan als het ware tot leven. Trompenaars laat ook zien dat lezers van speciaal voor zijn onderzoek geconstrueerde verhalen daar ook gevoelig voor zijn: hoe meer bezieldheidskenmerken aan normaliter levenloze objecten worden toegekend in een verhaal (alleen iets kunnen zien of juist ook hard kunnen wegrennen) hoe meer lezers geneigd zijn om die objecten, ook in de grammatica, als bezielde objecten te zien.

In onze natuurlijke manier van denken – en niet alleen die van ons, maar ook die van Japanners en Iraniërs – zijn er dus graden van bezieldheid. Met een kloppend hart of een functionerend zenuwstelsel hebben die niet zo veel te maken – wel met het verhaal dat we elkaar over de zaken om ons heen vertellen.