Het hele land is zoommoe. Wat nu?

Door Lauren Fonteyn

Buiten was het inmiddels warm en zonnig, maar Tanja was bevroren. Ze had net de letter ‘O’ uitgesproken en dat zou ze nog voor ongeveer 25 minuten doen. Toen heb ik ‘r maar uitgezet. Mijn kont kleefde inmiddels aan mijn stoel en al mijn spieren voelden verkrampt. 

Ik herinner me niet meer precies hoe en wanneer de apps om te videobellen in huis zijn gekomen, maar ze staan hier nu voortdurend aan. Een vergadering op Microsoft Teams. Een cursus op Jitsi Meet. Een borrel op Zoom. Een Facetimegesprek met een vriend om te vragen of er nog iets leuks gebeurd is, en het antwoord is net als de vorige keer ‘neen’. Ik merk op tegen drie rechthoekjes met hoofden in Gather dat ik thuiswerken wel relax vind. “Inderdaad,” zeggen een paar bewegende pixels, “maar leuk dat we elkaar op deze manier nog kunnen spreken, toch?”

Ja dat weet ik dus niet. Is videobellen leuk? Is het eigenlijk niet gewoon… ronduit verschrikkelijk? Ik herinner me althans niet dat ik voor de pandemie ook zo vaak na een gesprek in foetushouding op de grond ging liggen. 

Waarom is iedereen ‘zoommoe’?

Het werd geleidelijk aan duidelijk dat niet alleen ik een stinkhekel heb gekregen aan videobellen: het hele land voelt zich ‘zoommoe’. Het is niet helemaal duidelijk of ‘zoommoe’ verwijst naar het gevoel van onbehagen in de nasleep van een videomeeting, of naar een meer chronische uitputting (of allebei), maar het is wel duidelijk dat het niet specifiek over de app ZOOM hoeft te gaan (net zoals we ook dingen kunnen googelen met Bing of Yahoo!), en dat het iets in de trant van ‘videobellen = k*t’ betekent. Op verschillende zelfhulpwebsites wordt overigens ook de suggestie gewerkt dat het fenomeen zich specifiek voordoet bij videovergaderingen. Dat is een beetje kort door de bocht. Begrijp me niet verkeerd: L’enfer, c’est un videovergadering – maar zoommoeheid kan ook toeslaan bij mensen die uitsluitend videobellen voor dingen die wél leuk kunnen zijn.

Het is natuurlijk heel handig dat we een catchy woord hebben gevonden voor het probleem, want nu kunnen we er makkelijker over klagen. Maar het is ook goed om het probleem wat beter te begrijpen, want dan kunnen we er ook iets aan doen. Verschillende wetenschappers hebben daarom in de voorbije maanden hun best gedaan om uit te leggen waarom videogesprekken ons zo moe maken. Ten eerste is het belangrijk om te begrijpen dat een gesprek voeren een veeleisende activiteit is. Omdat we het zo vaak doen, zijn we vrij behendig in het praten, maar je merkt al snel dat het stroever begint te lopen als je tegelijkertijd je aandacht aan iets anders geeft. Mijn ex wilde bijvoorbeeld graag dat ik op z’n vragen reageerde als ik voor de tv zat, en ja nu is het mijn ex dus dat was geen succes. Het was ook niet zo slim van hem om competitie te willen voeren met de tv, maar oké. Wat ik wou zeggen is: bij een videogesprek zijn er naast het eigenlijke gesprek te veel andere prikkels die je kunnen afleiden. Daar horen natuurlijk berichtmeldingen bij van andere apps die op je scherm verschijnen, maar ook bijvoorbeeld dat je je eigen kop de hele tijd kan zien, of, in een uitzonderlijk geval, dat je gesprekspartner ervoor gekozen heeft om geen broek aan te doen maar vergeten is dat hij voor een spiegel zit. 

Daarbovenop komt een tweede probleem: de manier waarop we gewoonlijk gesprekken houden laat ons toe om, naast wat er allemaal gezegd wordt, ook een hele reeks aan niet-talige signalen te verwerken. Als een gesprek niet helemaal goed loopt, merken we dat meestal niet aan wat onze gesprekspartners zeggen, maar aan hele kleine signalen in iemands gezicht en andere lichaamstaal die moeilijk of zelfs niet te zien is op je scherm. Neem daar even bij dat in veel videogesprekken meerdere deelnemers zijn die op elkaar gestapeld voor je liggen. Omdat we zoveel mensen tegelijk zien, proberen we die signalen (vaak tevergeefs) te verwerken in verschillende kleine gezichtjes tegelijk, en dat is erg vermoeiend voor ons brein.

Slechte fiets

Maar er zijn daarnaast nog wat andere dingen die ervoor zorgen dat videogesprekken vermoeiend, en over het algemeen een beetje teleurstellend zijn.

Toen ik met mijn studentenfiets van 35 euro uit de kringloopwinkel thuiskwam, zei mijn vader iets als: “mee zone rommel kunde toch nie rije”. Voor mijn vader, Vlaming en (dus) wielersportenthousiast, is een fiets pas een fiets als je er in principe de Tour de France mee kan winnen, en anders is het rommel. Ik heb ook een stinkhekel aan wielersport, dus voor mij voelt het als de perfecte metafoor om over videobellen te praten. Is videobellen zo moeilijk omdat we op een slechte fiets rijden, of omdat we zelf gewoon slechte fietsers zijn?

Er valt zeker iets te zeggen over het belang van de kwaliteit van de technologie die we gebruiken. Laten we even kijken naar hoe een vlot gesprek normaal verloopt. Het volgende gesprek – dat, om in het thema te blijven, over wielrennen gaat – is opgenomen in het Corpus Gesproken Nederlands:

  • Shit hè
  • en daar had ik in de | in de intro toen met Nick zo over jullie Nick
  • want die… wat vond ie toen ook al weer geen sport?
  • ja wielrennen omdat je als je een goeie fiets had dan uh || dat heb jij nog wel verteld. || die rare gast.
  • oh ja *lacht* inderdaad ja.
  • ‘k heb nou…
  • Mark.
  • je kan nagaan dat als hij dat tegen mij ge-
  • ja.
  • ge- | ja | gezegd had van
  • *lacht* ja.
  • oke Nick uh | neem jij maar een hele goeie fiets *lacht* nee || ik rijd je d’r zo uit jongen. *lacht*. || hij met z’n rokerslongetjes *lacht*
  • oh was ook echt een rare gast zeg zo
  • jaaaaa man wat een rare gast.

Het is eigenlijk grappig dat er steeds beweerd wordt dat het onbeleefd is om iemand te onderbreken, want in de allerleukste gesprekken onderbreken we elkaar eigenlijk zowat de hele tijd: met een aanmoedigende ‘ja’, met een aanvulling, met dingen die je je plots herinnert, en ga zo maar door. Nu hadden de makers van Skype dat niet helemaal begrepen, want de app was een tijdje terug zo geprogrammeerd dat het alle geluiden dempte die niet van de persoon die aan het woord was kwamen. Dat ‘anti-onderbrekingssysteem’ was vast goed bedoeld, maar het was ongelofelijk slecht voor de vibe.

Het gesprekje van hierboven gaat overigens ook heel snel, en er zitten amper merkbare stiltes tussen de beurten van de sprekers. Er is een goeie flow, zeg maar. Er kunnen in een gesprek natuurlijk wel stiltes vallen, maar langere, merkbare stiltes (voor Nederlanders gaat dat blijkbaar om ongeveer 4 seconden) hebben een vaak een negatieve lading. Je voelt me vast al komen, maar met een app die een beetje vertraagd reacties uitstuurt en een wifiverbinding die ook een beetje zoommoe is, krijg je al gemakkelijk pijnlijk merkbare, artificieel gecreëerde stiltes die de flow van je gesprek naar de kl*ten helpen.

Slechte fietsers

We zijn trouwens ook wel gewoon slechte fietsers hoor. Of, om het een beetje optimistisch te houden: we zijn nogal onervaren. In echte face-to-face gesprekken zijn we heel goed getraind: we hebben allerlei goed werkende routines om elkaar te begroeten, om gepast te reageren, en om afscheid te nemen – en bij alle delen van een gesprek horen ook specifieke soorten taalgebruik en reactiesnelheden. Het probleem is nu dat we misschien onbewust wat te veel verwachten dat videobellen het equivalent is van een gesprek ‘in het echt’, en we zijn nog te onervaren met het medium om te snappen dat de routines die we face-to-face kunnen gebruiken bij face-to-video eigenlijk niet werken.

Hoog tijd voor nieuwe routines, dus! En die beginnen er gelukkig te komen. Een van mijn studenten zei dat ze tot haar grote horror gemerkt had dat ze ‘een zwaaiertje’ is – iemand die aan het eind van een videogesprek afsluit door te gaan zwaaien. Ze vroeg ons daarna om ons in te beelden dat een groep hippe twintigers ook in echt een gesprek zou afsluiten door met z’n allen heftig heen en weer te zwaaien, en we lachten allemaal hartelijk om dat idee. Toen ik wat later het online werkcollege afsloot, zat ik trouwens zelf ook te zwaaien – en ik voelde zowaar voor het eerst eens geen kramp in al mijn spieren.