Fabels en feiten over de tussen-en in samenstellingen (4): wat spelling met taal te maken heeft

Door Arina Banga, Esther Hanssen en Anneke Neijt

Spellingrebel Trouw heeft per 1 januari na vijftien jaar ‘witte’ spelling toch de officiële ‘groene’ spelling geaccepteerd. Hoewel wit en groen voor de meeste spellingkwesties nauwelijks van elkaar verschillen, lopen ze uiteen voor onder meer samenstellingen, woorden als pannenkoek en aardbeienjam. Tijd om de balans op te maken – wat weten we inmiddels over tussenklanken in samenstellingen? Waarover is nog steeds geen duidelijkheid? Dat doen we in een reeks artikelen, waarin we vooral verslag doen van onze experimenten. De vorige delen gingen over de uitspraak, de betekenis en de interpretatie van varianten in de uitspraak. Nu staan varianten in de spelling centraal. Het gedoe rondom de spelling van tussenklanken suggereert dat er meer aan de hand is dan alleen maar een lettertje meer.

Beregeling van de spelling tot 1996 – invloed van het onderwijs?

De enkelvouds- en meervoudsbetekenis van het eerste lid van een samenstelling waren heel lang prominent aanwezig in de beregeling van de spelling van de tussenklank e(n). De Vries en Te Winkel (1866) redeneerden vanuit het enkelvoud. Ze bedachten als hoofdregel dat je e moest schrijven “wanneer de betekenis de gedachte aan een enkelvoud maar enigszins toelaat”, zoals in flesschebakje en hondeketting. Vanaf p. XLI beschrijven ze hun uitgebreide verzameling regels, die in 1884 tot de standaardspelling ging behoren.

In 1954 is de beregeling behoorlijk vereenvoudigd. De hoofdregel bleef dat je de tussenklank e(n) als e moest schrijven, maar nu met als uitzondering “men schrijft -en- wanneer het eerste lid noodzakelijk de gedachte aan een meervoud opwekt”. Net als in 1884 zou je op grond van de regels kunnen verwachten dat destijds de tussenklank gewoonlijk als e geschreven werd, maar dat is niet zo. De tussen-en kwam twee keer zo vaak voor(zie Spellingrapport 1995, p. 77). Dat wringt. Daar kun je last van hebben als je de regels moet uitleggen.

Zou ruim een eeuw spellingonderwijs aan de hand van een enkelvouds- of meervoudsbetekenis invloed gehad kunnen hebben op betekenisoordelen bij Nederlandse samenstellingen? Woorden zoals bloembak en bloemenbak kun je gebruiken in situaties zonder bloemen, bijvoorbeeld als je bakken nodig hebt voor niet-bloeiende planten. De regels hebben er misschien voor gezorgd dat de generieke getalsbetekenis (enkelvoud en meervoud doen er niet toe) op de achtergrond is geraakt.

Het Afrikaans

De problemen die er geweest zijn rondom de tussenklank e(n) doen je met jaloerse blikken kijken naar het Afrikaans. Wel een tussenletter e, maar nooit gevolgd door een n, dus supersimpel. Nu ligt dat nogal voor de hand, want het Afrikaans heeft -e als meervoudsuitgang, niet -en en ook geen uitspraakvariatie van meervoudsuitgangen, zoals het Nederlands.

Het Afrikaans laat zien dat het niet noodzakelijk is om tussenklanken anders te spellen dan meervoudsuitgangen. Dat zou je als argument kunnen gebruiken om in het Nederlands ook geen onderscheid te maken, dus en te gebruiken voor de tussenklank.

Anderzijds, je zou een pleidooi voor de e kunnen houden vanuit de veronderstelling dat het Afrikaans laat zien hoe het Nederlands zich gaat ontwikkelen. Misschien zit het Nederlands van nu in een overgangsfase, en gaat de n in de uitspraak van meervoudsuitgangen en tussenklanken in de toekomst helemaal verdwijnen. Wetenschap bedrijf je niet alleen omdat je wilt weten hoe het zit, maar ook om grip te krijgen op de toekomst. Vanuit dat perspectief is nader onderzoek nuttig.

De verschillen

Het Afrikaans staat op dit moment nog ver af van het Nederlands. Het heeft andere verbuigingen, een ander lidwoord (die), meervouden zonder n en minder lettergrepen, vergelijk origineel en vertaling van de beginregels van Marlene van Niekerks roman Agaat (2004). De verbuigingen en meervouden zijn vet gedrukt:

Matwit winter. Hortende verkeer. Noodweer. En ek. Op twee plekke soos altijd. Sneeu op my skouer, maar met die Overbergse lig wat by my spook, die nat blink dinge van die winter, die opgeefsels van die somer. Tuimelende lewerikie bo die ruisende koringlande. Twitter machine.

Matwitte winter. Strubbelend verkeer. Noodweer. En ik. Als altijd op twee plaatsen tegelijk. Sneeuw op mijn schouder, maar ook het Overbergse licht dat in mij spookt, de natte glanzende dingen van de winter, luchtspiegelingen van de zomer. Tuimelend leeuwerikje boven ruisende korenvelden. Twitter Machine.

De twee talen hebben wel veel woorden die over en weer begrijpelijk zijn. Je kunt dus aan moedertaalsprekers van het Afrikaans een experiment voorleggen dat eerder voor het Nederlands gebruikt werd: meervoudigheidsoordelen bij variatie van de tussenletters, nu eens e dan weer en. Het experiment is ongeveer gelijk aan dat van deel 2, de vergelijking van Nederlandse oordelen met Engelse. In 1996 gebruikten we het om te onderzoeken wat de invoering van de nieuwe regels voor effect had op betekenisoordelen, en zeven jaar later hebben we het herhaald, om gewenning in kaart te brengen. Denk aan Paardekoopers furieuze artikel ‘Wendier tegen wetenschap’ in het tijdschrift Raam (1963-1964), dat begint met In ieder mens leeft het wendier, of beter gezegd: het ligt daar log te luieren, het vegeteert. Bij de een is het groter als bij de ander, maar naarmate we ouder worden, wordt het vetter en vadsiger.”

De vergelijking

Terug naar het experiment. De taak is gebaseerd op verschillen in meervoudigheid: de woorden mierenhoop en duiventil (altijd al met en geschreven) suggereren meer mieren dan duiven, de woorden hondenhok en slakkenhuis (vroeger met alleen een e geschreven) suggereren minder honden en wellicht slechts een enkele slak. Samenstellingen die in de oude spelling met en geschreven werden (boekenkast, enz.) vormen de ene groep, samenstellingen die voorheen met alleen een e gespeld werden (slangenbeet, enz.), vormen de andere groep. In beide groepen varieerden we de spelling van de tussenklank en vroegen we aan proefpersonen ‘Hoe meervoudig is het eerste deel van de samenstelling? Geef dat aan op een schaal van 1 tot 7.’

De taak legden we in 1996 en 2003 voor aan studenten Nederlandse taal en literatuur in Nijmegen en rond 2005 aan studenten Afrikaanse taal en literatuur in Stellenbosch, moedertaalsprekers van het Afrikaans die niet daarnaast Nederlands studeerden. Deze laatste groep wist dat we betekenisoordelen wilden verzamelen over Nederlandse samenstellingen. Aan de hand van wat voorbeelden werd uitgelegd wat de bedoeling was, waarbij aan alle groepen werd gevraagd om alleen op de betekenis te letten, niet op de spelling. Met name voor de Afrikaners week de spelling nogal eens af van wat ze gewend waren (boekrak i.p.v. boekenrek, slangbyt i.p.v. slangenbeet).

Meestal legden we gevarieerde lijsten voor aan de studenten, samenstellingen met tussenklanken gespeld als e of en door elkaar heen. We gebruikten ook een keer homogene lijsten (de ene groep zag alleen maar boekekast, slangebeet, enz., de andere alleen maar boekenkast, slangenbeet, enz.), om te onderzoeken of variatie in het aanbod een ander patroon zou laten zien. Op grond van vormverschillen binnen de aangeboden lijsten kunnen proefpersonen wellicht gaan denken dat die ertoe doen, ondanks dat we gevraagd hadden om niet op de spelling te letten. De uitkomsten staan in figuur 1.

Fig. 1. Gemiddelde meervoudigheidsoordelen over Nederlandse samenstellingen met en of met e geschreven en het verschil tussen die twee. Links oordelen bij samenstellingen van het type boekenkast (in de oude spelling met en geschreven) en rechts oordelen bij samenstellingen van het type slangebeet (in de oude spelling met e geschreven), gemeten op een zevenpuntschaal met 1 voor maximale enkelvoudigheid en 7 voor maximale meervoudigheid. De oordelen zijn van moedertaalsprekers van het Nederlands in 1996 (eerste balk van ieder groepje), in 2003 (tweede balk), in 2003 met een homogeen aanbod (derde balk) en moedertaalsprekers van het Afrikaans (vierde balk).

Bij de Nederlandstalige proefpersonen zijn de verschillen steeds significant, maar het patroon van de oordelen blijft hetzelfde en dat patroon is zoals verwacht: hogere gemiddelden voor samenstellingen die volgens eerdere spellingregels met en geschreven moesten worden en hogere gemiddelden voor de variant met een n in de spelling van de tussenklank. In 2003 zijn de verschillen kleiner dan in 1996, vlak na de spellingwijziging. Het verschil waarop de oude spelling gebaseerd was blijft echter overeind. Dat is ook zo bij homogene lijsten, maar het verschil tussen een spelling met en of e is kleiner. De context waarbinnen de samenstellingen worden beoordeeld (hoe de lijst woorden is samengesteld) blijkt dus van invloed op de betekenis. Geen vormvariatie in de context leidt tot gematigder betekenisverschillen.

De verrassing

Het patroon van de metingen verandert wel bij de moedertaalsprekers van het Afrikaans. De letter n heeft invloed, maar juist in omgekeerde richting. Een n erbij in de spelling leidt tot lagere meervoudigheidsoordelen (significant lager als je de items vergelijkt, marginaal significant lager als je de proefpersonen vergelijkt). Op het eerste gezicht is dat verrassend, maar bij nader inzien volgt dat uit de morfologie en spelling van het Afrikaans. Meervouden worden er altijd met -e gespeld, suggereren dus meervoudigheid. Omgekeerd, er is zijn woorden eindigend op -en, maar dat zijn enkelvouden, zoals kuiken en molen. Het lijkt erop dat en in het Afrikaans gekoppeld is aan een enkelvoudsbetekenis, anders dan in het Nederlands.

Spelling is geen taal

Veel taalkundigen stellen, in navolging van Bloomfield (1933:21) dat spelling geen taal is: “Writing is not language, but merely a way of encoding language by means of visible marks” Die stelling is misplaatst want die is evengoed van toepassing op de spraak, die ‘alleen maar’ een code is om woorden, woordgroepen en zinnen weer te geven. Je zou de fonologie dus op dezelfde manier weg kunnen zetten als slechts een buitenbeentje. En zelfs morfologie en syntaxis zijn ‘alleen maar’ een code om gedachten weer te geven. We hadden in plaats van kat het woord tak kunnen gebruiken, of omgekeerd.

Het alfabetische schrift is sterk afhankelijk van de uitspraak, dat wel, maar als het spellingsysteem er eenmaal is, dan verwerft het zich een plaats binnen de rest van het taalsysteem, met soms zelfs een rechtstreekse invloed op de betekenis, zoals onze experimenten laten zien. Geletterde proefpersonen moet je beslist onderscheiden van ongeletterde proefpersonen, als je wilt weten hoe taal in elkaar zit. En bedenk: of je de spelling nu wel of niet als onderdeel van de taal wilt beschouwen, het is in ieder geval een onderdeel dat we na 4000 jaar ontwikkeling voor geen goud zouden willen missen.

Jansen, C., R. Schreuder & A. Neijt (2007). The influence of spelling conventions on perceived plurality in compounds. A comparison of Afrikaans and Dutch. Written Language and Literacy 10, 105 -119.

Neijt, A., R Schreuder & H.R Baayen (2004). Seven years later. The effect of spelling on interpretation. In: L Cornips & J. Doetjes (red.), Linguistics in the Netherlands 2004. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins, 134-145.