Een woordenboek van het Nordfries, van het Nordfriesisch of van het Noord-Fries?

Door Henk Wolf

De grofste indeling van het moderne Fries kent drie groepen: wie in het westen begint, komt eerst het Fries van de Nederlandse provincie Friesland en het aanburende stukje van het Groninger Westerkwartier tegen, dan rijdt ie een tijdlang door de ontfrieste Groninger Ommelanden en Oost-Friesland om in het Saterland opnieuw Fries tegen te komen. Daarna gaat de reis verder naar het noorden en die eindigt als aan de westkust van Sleeswijk-Holstein het Fries van Noord-Friesland te horen is.

Die drie soorten Fries (talen, dialecten, variaten, variëteiten – kies maar een term) worden meestal op basis van windrichting benoemd om ze uit elkaar te kunnen houden. De westelijkste vorm wordt ‘Westerlauwers Fries’ genoemd. In het Duits is het meestal Westfriesisch, in het Engels West Frisian en in het Frans frison occidental.

Het Fries van het Saterland wordt wel als Oost-Fries aangeduid en ook wel als Saterfries. Het Fries van Noord-Friesland wordt doorgaans Noord-Fries genoemd. De namen in het Duits, Engels en Frans zijn daar de letterlijke tegenhangers van.

In een Nederlandstalig krantenberichtje in de Leeuwarder Courant van afgelopen week werd aangekondigd dat er een (overigens bijzonder fraai) online-woordenboek van het Noord-Fries is verschenen op de website friesisch.net. Het viel me op dat die taal in de kop boven het stuk Nordfries werd genoemd. In het artikel zelf werd twee keer van Nordfriesisch en één keer van Nordfries gesproken. In totaal hebben we dus twee keer de Duitse vertaling van de taalnaam en twee keer een Duits-Nederlands amalgaam.

Dat is eigenlijk wel gek. Het Nederlands heeft met Noord-Fries een begrijpelijke en normale eigen term. Je kunt er nog voor kiezen de eigenbenaming over te nemen, zoals je in Nederlandstalige teksten ook weleens Frysk of Seeltersk of Frasch ziet staan. Maar waarom een Duitse naam? En waarom een amalgaam van Duits en Nederlands?

Het gebeurt niet alleen met de taalnaam, maar ook met de naam van de streek waarin die taal wordt gesproken, het bijbehorende bijvoeglijk naamwoord en het woord voor de bewoners van de streek. In het archief van de Leeuwarder Courant kom ik 34 keer de string Nordfries tegen. Een paar voorbeelden:

  • Nordfriesen willen ook eigen canon
  • In het Duitse Nordfriesland zoekt men ‘de grootste Nordfries’.
  • Feenstra exposeerde eerder dit jaar op het Nordfriese eiland Sylt […]

Ook Omrop Fryslân gebruikt dit soort opvallende codewisselingen:

  • Dútslân erkent Ostfriesen
  • Ostfriezen by betinking Slach by Warns
  • Appingedam is in stêd dy’t yn 1327 Fryske stedsrjochten krige […] yn it Dútske Ostfryslân.

Hierin is Ostfriesen volledig Duits en zijn Ostfriezen en Ostfryslân Duits-Friese amalgamen.

Consequent zijn de media daarin overigens niet. Zo schrijft Omrop Fryslân:

  • Alle weiwizers yn Noardfryslân wurde twatalich yn 2017
  • Yn Noardfryslân yn it noarden fan Dútslân sille trije Noardfryske organisaasjes ûnder ien dak krûpe yn de stêd Bräist(Bredstedt).

En de Leeuwarder Courant schrijft ook:

  • De Noord-Friezen hebben hun eigen Friese taal, het Nordfrasch […]
  • Maar het boekje is er ook in het Frasch (Noord-Fries), […]

Ik kan natuurlijk alleen maar speculeren over de reden voor deze vreemde taalsprongetjes. Een verklaring zou kunnen zijn dat sommige journalist vermoeden dat het gebruik van namen als Noord-Fries en East-Frysk in regionale media verkeerd zal worden geïnterpreteerd, namelijk als betrekking hebbend op delen van de provincie Friesland. Om te laten uitkomen dat we voor de referent van die woorden ten oosten van de staatsgrens moeten kijken, wordt de term dan maar helemaal of gedeeltelijk verduitst. Andere journalisten voelen die angst voor misverstanden mogelijk minder en kiezen voor de naam in de taal van het artikel of voor de eigenbenaming.

Wie een betere verklaring heeft, moet het maar zeggen.