Dat je staat voor ik

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (13)

Al in het eerste gedicht van haar onlangs verschenen debuutbundel Voor permanente bewoning schiet Anna de Bruyckere heen en weer tussen het algemene en het persoonlijke. De eerste regels gaan over je:

Wees als water, denk je.
Water stroomt, verdampt, verwaait, slaat elders neer.
Het verdwijnt dan wel niet maar zo kom je
tenminste nog ergens.

In de eerste regel zitten als het ware twee je’s: er is iemand die iets denkt, maar wat zij denkt is een gebiedende wijs (‘wees als water’), een opdracht, en daarin zit iemand verstopt aan wie de opdracht gericht is, iemand die als water moet zijn. Je richt zich dus in gedachten tot zichzelf. Je heeft kortom al in die eerste regel de vloeibaarheid van water.

De laatste regels van het gedicht luiden:

Dat je staat voor ik. Dat je je snel in water verslikt.
Dat alles in feite een spel is, een mop.

Ook hier zitten dus allerlei verdubbelingen in: je staat voor ik (het zogeheten voetballers-ik: “Je staat voor het doel en denkt ‘ik schiet hem erin'”.), maar ook in dat je je, de eigenaardige verdubbeling die een wederkerend voornaamwoord veronderstelt: je verslikt niet iemand anders, je verslikt je.

De bundel eindigt met een cyclus De dieren, de dieren, Ook daarin spelen voornaamwoorden dit soort verdubbelingsspelletjes. Het eerste gedicht van de cyclus begint bijvoorbeeld met een we dat al heel snel tegenover een ik wordt geplaatst:

We zeggen soms dat dieren
niet tegen het leven zoals mensen –

dat dieren niet ja
hoeven te zeggen zoals mensen
tegen het leven, dat het hunne simpelweg stroomt
en zij bij geboorterecht drijven. Maar ik geloof dat niet.

Normaliter is ik natuurlijk onderdeel van we, maar er bestaan verschillende vormen van we waarvoor dat niet geldt: het we dat traditioneel aan verpleegsters wordt toegeschreven (‘nu gaan we even een plasje doen’) bijvoorbeeld, maar ook een we dat mensen gebruiken terwijl ze zo ongeveer iedereen bedoelen als zichzelf. Dat lijkt hier gebruikt te worden: ‘Iedereen zegt wel dat dieren niet tegen het leven, enz. Maar ik geloof dat niet.’

Het klinkt tegelijkertijd een beetje grappig, een beetje als een echo van de beroemde scene in Monty Python’s Life of Brian waarin Brian zijn schare volgelingen toespreekt en ze en masse alles woordelijk herhalen wat hij zegt: ‘You are all individuals!’ ‘We are all individuals’. Waarop één man protesteert: ‘I am not’.

Ook in dit gedicht gaat het, dat blijkt al uit de eerste regels, over permeabiliteit, in dit geval van de grens tussen mens en dier – zoveel verschillen die niet van elkaar. Zoals er een grens is tussen we en ik, en toch ook weer niet.