Satire en fonologie bij de Halbertsma’s (en de mogelijke doorwerking daarvan in de etymologie)

Door Bouke Slofstra

In satirische teksten wordt niet zelden koeterwaals gesproken. Personages kenmerken zich door een vreemde taal, dialect, accent of spraakgebrek. Dat koeterwaals is in de meeste gevallen een literair en taalkundig construct. Een denkbeeldige noorderling kan bij monde van Claudia de Breij zeggen: “wij [g]eevn daar niks om”, met de [g] van goal (als in het Fries) en de uitgesproken werkwoordelijke meervouds-n (als in het Gronings). In dit stukje zal het gaan over koeterwaals ‘Joods’ en ‘Duits’ in de negentiende-eeuwse Friese letteren.   

Joden en Duitse migranten werden in zeventiende-eeuwse teksten al gepersifleerd in Nederlandse teksten. In de Friese schrijverij begon die gewoonte rond 1770. De postuum uitgegeven bundel Rimen en Teltsjes (1871) van de gebroeders Halbertsma speelt daarbij een belangrijke rol. De Halbertsma’s hadden in 1822 een werkje uitgegeven onder de titel De lapekoer fan Gabe-skroar (‘de lappenmand van kleermaker Gabe’), dat ze sindsdien, aangevuld met nieuw materiaal, telkens lieten heruitgeven.

Een van die broers was Joast Hiddes (alias Joost of Justus) Halbertsma, doopsgezind predikant in Deventer en taalgeleerde. Hij stond in contact met Jacob Grimm en andere taalkundigen uit zijn tijd en hij schreef onder meer een Fries woordenboek (‘Lexicon Frisicum’), een woordenlijst van het Overijssels en een commentaar op het vierde deel van Maerlants Spieghel Historiael. (Zie: ‘Knooppunt Halbertsma’, ‘Halbertsma als lexicograaf’ en deze biografie.)

In de Rimen en Teltsjes komen satirische personages voor die zich — breedsprakig of juist kort-af, quasi-geleerd of heel onnozel — uitdrukken in het Fries, Nederlands, Sneker of Leeuwarder Stads, joods-Nederlands, Hoog- of Laagduits enzovoorts. Het zal geen verbazing wekken dat de auteurs hun kennis van het Fries en Stads breeduit etaleerden en dat de persiflage en het origineel elkaar weinig ontlopen.

Het gepersifleerde joods-Nederlands in dit werk stelt echter bijzonder weinig voor. Het is niet veel meer dan gewoon Nederlands met een telkens ingevoegde h: bhen je mhal (p. 47-9 van het gelinkte artikel). Daarin onderscheiden de Halbertsma’s zich van auteurs vóór hen (met name Feike van der Ploeg, rond 1770) en na hen (Waling Dykstra en toneelschrijvers uit zijn kring, ca 1850-1900). Van der Ploeg laat zijn personages een soort namaak-Jiddisch praten (met stukjes Nederlands en Fries, p. 44-7). Bij Waling Dykstra en consorten is het Jiddisch al iets uit het verleden. Daar wordt een zogenaamd Joods Nederlands ten tonele gevoerd dat de fonologische, syntactische en lexicale kenmerken heeft van Jan Schenkmans Levie-Zadok-brieven en aanverwante literatuur. Een paar citaten (“o sjorem magaaije”) verraden dan ook inspiratiebronnen uit de ‘Hollandse’ letteren (p. 51). (De kring rond Waling Dykstra laat zich overigens ook minder negatief uit over Joden dan hun voorgangers: ook hier weerspiegelt een maatschappelijk emancipatie- en integratieproces zich in de literatuur.) 

Er is iets merkwaardigs aan de hand met die namaak-Joodse ingevoegde h’s. Ze lijken een exclusief Nederlands (en Fries) bestanddeel te zijn van Zogenaamd Joods. Het komt bijvoorbeeld voor in de Nederlandse vertaling (door Gerrit Velderman) van de Nederduitse roman Ut mine stromtid van Fritz Reuter (1810-1874), maar niet in het origineel (p. 48). Nog merkwaardiger is het feit dat Joost Halbertsma naar eigen zeggen werkelijk geloofde dat deze h-invoeging een universeel Joods trekje was (p. 48, citaat uit Letterkundige naoogst II, 1845). Het zou misschien de moeite waard zijn om de achtergronden van dit specifieke verschijnsel nader te onderzoeken. Dat de Halbertsma’s dit niet zelf geïntroduceerd hebben, blijkt niet alleen uit oudere Nederlandse voorbeelden, maar ook uit Gerrit Dijkstra’s biografie van broer Eeltsje Halbertsma (1946:28), waar Eeltsje in zijn Leidse studietijd schrijft over “het vholk van Hisreal”.

Joost Halbertsma was overigens wel degelijk op de hoogte van de Levie-Zadok-brieven (vanaf 1854), waarover Ewoud Sanders recent gepubliceerd heeft. Een van Halbertsma’s latere verhaaltjes is duidelijk geïnspireerd op een destijds recente ‘blackface’-episode van Jan Schenkman (zie link), maar toen waren de Rimen en Teltsjes al zo goed als klaar.

Dat de taalgeleerde Joost Halbertsma zo’n expliciet oordeel had over de Joodse manier van praten is al een interessant gegeven, maar hij meende bovendien dat er iets vreemds aan de hand was met de spraak van de Duitsers (zie het gelinkte artikel). Duitsers worden bij de Halbertsma’s vaak sprekend opgevoerd in een (Neder-)duits mengtaaltje met ‘satirische verstemlozing’ van de ploffers (pei uns in Detmold, puerfrau, nich ticker [nicht dicker], etc.). Zij spelen met dit gegeven wanneer ze een Duitse textielhandelaar Labbenbach introduceren die zichzelf Lappenpack noemt en bekend staat als Lappenpakker, omdat hij zelf zijn verkochte lappen inpakt. Ook hier blijkt Joost Halbertsma werkelijk van mening te zijn dat Duitsers zo spraken (zie het vermelde citaat uit het verslag ‘Reis naar Frankfurt’, 1846). Er is inderdaad iets merkwaardigs aan de hand met de manier waarop Duitsers hun ploffers uitspreken, en dat is in de fonetische literatuur niet onopgemerkt gebleven (zie, alweer, dit artikel, pp. 44-5). En de satirische verwerking van dat verschijnsel is in dit geval zeker geen exclusief Nederlands-Friese zaak, want we zien het ook in bijvoorbeeld de Franse literatuur: foulez-fous tescendre, messiers et tames? (Guy de Maupassant, Boule de suif). Ook hier zou nader onderzoek welkom zijn. In de vroegmoderne Nederlandse kluchten over ‘poepen’en ‘moffen’ (van Pieter Langendijk, Thomas Asselijn en anderen) lijkt deze verstemlozing nog niet voor te komen. (In het zogenaamde Jiddisch van de genoemde Feike van de Ploeg, kort na 1770, zien we die overigens wel, zowel bij Duitse als Joods personages. Namaak-Jiddisch is immers een vorm van namaak-Duits.)

De satirische verstemlozing heeft mogelijk ook zijn invloed gehad op de veronderstelde etymologie van het woord poep (‘Duitser, mof’). Het woord komt in de vroegmoderne Nederlandse kluchten al voor. Daar zie je personages zoals de hannekemaaiers Wessel Poep en Wessel Keutel in De Zwetser van Pieter Langendijk, die onfris ruiken in hun ongewassen werkkleding. In het WNT wordt dan ook uitvoerig beargumenteerd waarom een verband met het homonieme poep (‘uitwerpselen’) voor de hand ligt. In het Fries is Poep, met een lange klinker [pu:p], (‘mof’) uit het Nederlands overgenomen, terwijl poep, met een korte klinker, [pup] (‘poep’) een kinderwoord is.

In de negentiende eeuw werd aangenomen dat poep (‘mof’) een verbastering is van het Duitse Bube (‘knaap’, etymologisch verwant aan boef). Die woordafleiding werd verdedigd door onder anderen Waling Dykstra en Joost Halbertsma. (Halbertsma pleitte elders voor de ‘stront’-afleiding, een inconsequentie die voor Halbertsma’s afleidkundige doen en laten niet geheel ongebruikelijk was.) 

Deze, waarschijnlijk onjuiste, Bube-afleiding vindt vandaag de dag nog steeds haar aanhangers (onder meer bij schrijver dezes in het artikel over het namaak-Joods, 2020, p. 45!). Interessant aan deze etymologie – juist of onjuist – is dat het zoiets als die (satirische) verstemlozing veronderstelt om van Bube tot poep te komen. Ook hier zou nader onderzoek nuttig zijn. Hoe oud is die veronderstelde etymologie, en wie kwam ermee op de proppen?

Zie ook:

Neerlandistiek: van p naar b in Nederland en Duitsland

Afbeelding door Drewes – (Fan Tresoar. Makker: Han de Vries, Ljouwert), GFDL, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=11751983