Hilarische poses

door Freek Van de Velde

De kans is groot dat u Hilaria Baldwin niet kende, voor ze afgelopen week paginabreed in de krant stond. Mevrouw Baldwin is een yoga-instructrice, social influencer en de echtgenote van de bekende acteur Alec Baldwin. Ambtshalve is ze nogal aanwezig op de sociale media. Het begon allemaal met een foto waarop te zien is dat ze heel mager is, en daar had comédienne Amy Schumer de draak mee gestoken. Mevrouw Baldwin had daarop een wat langdradig video-antwoord gepost. Dit is waar het taalkundig interessant werd: mevrouw Baldwin heeft normaal gesproken een Spaans accent als ze Engels spreekt, heeft een passionele obsessie voor de Spaanse cultuur, maar nu, in die emotionele videoboodschap was van dat Spaanse accent plots veel minder te merken.

Dat leverde kritiek op. Hilaria Baldwin is dus helemaal niet zo Spaans als ze zich voordoet: ze is geboren in Boston, in een Amerikaans gezin, en op de middelbare school, toen ze nog gewoon Hillary heette, sprak ze Amerikaans Engels zonder ook maar een zweem van een Spaans accent. Die hele Spaanse persona was dus een pose, tenminste als je de vakanties in Spanje en een verblijf in Mallorca negeert. Ze was ontmaskerd als fraudeuse die zich bezondigd had aan culturele toe-eigening. Dat roept twee samenhangende vragen op: ten eerste, wat is het bezwaar tegen het overnemen van een accent? Ten tweede: waarom doet iemand dat?

De eerste vraag: wat is het bezwaar? Dat is niet zo duidelijk. Wie een vreemde taal leert, doet meestal hard zijn best om het accent over te nemen. Dat komt trouwens ook voor in de eigen taal: in Vlaanderen is het nog steeds usance om in het onderwijs regionale accenten bij te vijlen in de lessen Nederlands. Er wordt uitgegaan van een uitspraaknorm uit de jaren dertig. Voorbeeld: je moet de ‘ij’ diftongeren, maar ook weer niet zo dat hij, zoals je in het hedendaagse Noord-Nederlands vaak hoort, gaat klinken als ‘ai’. De ‘ee’ en de ‘oo’ mag je juist níet diftongeren, terwijl bijna iedereen in Nederland dat ondertussen is gaan doen tussen 1930 en nu.

Het bezwaar bij het Spaanse accent van Hilaria is vermoedelijk dat het gaat om een accent van een minderheid. Je moet daarbij rekening houden met het feit dat Spaans in de Verenigde Staten ook de taal is van de Hispanic-minderheid. Een accent overnemen van een minderheid heet crossing of passing (niet helemaal hetzelfde, het perspectief ligt wat anders, maar de terminologie van de derdegolf-sociolinguïstiek is een onoverzienbaar kluwen), en dat kan gevoelig liggen. Sommige mensen vinden dat kwetsend. Er zijn ook mensen die niet geschoffeerd zijn, maar die het gewoon wat aanstellerig vinden. Ik heb de indruk dat het bij jongelui wat meer in de mode is om gekwetst te zijn dan om iets potsierlijk te vinden. Maar op de keper beschouwd gaat het om dezelfde ergernis: wie zich een Hispanic-Engels accent aanmeet, koketteert met een hippe of interessante cultuur waar die persoon eigenlijk geen deel van uitmaakt.

Maar waaróm zou iemand dat doen? Dat vind ik een interessantere vraag. De zaak-Hilaria Baldwin doet denken aan een opmerkelijke reeks academici die het afgelopen jaar betrapt zijn op soms heel verregaande fabulaties met een fake-kleurling-achtergrond: BethAnn McLaughlin, Jessica Krug, C.V. Vitolo-Haddad, Craig Chapman. En een paar jaar geleden ook al Rachel Dolezal.

Je kunt dit alleen begrijpen als je beseft dat er aan Amerikaanse universiteiten een tendens is om slachtofferschap als symbolisch kapitaal te zien. Dat wordt heel goed beschreven in het boek The Rise of Victimhood Culture van Bradley Campbell en Jason Manning (2018). In het ‘intersectionaliteitsdenken’, dat ook in Europa ingang vindt, stapel je krediet op door lidmaatschap van zoveel mogelijk minderheidsgroepen. Jessica Krug, die hoogleraar Afro-Amerikaanse geschiedenis was aan George Washington University, gaf zich niet alleen uit voor een zwarte vrouw, maar verzon ook verhalen over drugsverslaafde ouders. Vitolo-Haddad is niet-binair, en verkiest een bepaald type pronomina. BethAnn McLauhglin zette zich in de markt als biseksueel en verzon een onbestaand account van een collega met Hopi-indiaanse achtergrond die aan Covid gestorven was. 

De poseurs hebben ook een vrij specifiek profiel: het zijn allemaal vrouwen (of non-binaire mensen), en ze hebben een activistische achtergrond. In een artikel in Inside Higher Ed wordt de vraag gesteld naar de verklaring voor dat profiel. Het antwoord is dat academische banen schaars zijn, dat er een mannelijke hegemonie is, en dat sommige vrouwen in wanhoop hun toevlucht moeten zoeken tot zulke toeren. Dit lijkt me eerlijk gezegd niet erg waarschijnlijk. Allereerst blijkt uit recent onderzoek dat vrouwen in heel wat disciplines méér kans hebben om aangeworven te worden aan de universiteit. Ten tweede is het eigenlijk veel logischer dat je je niet als een gemarginaliseerde minderheid gaat voordoen als je vreest dat je er alleen inkomt als je tot een geprivilegieerde klasse behoort. Ten derde lijkt dit gedrag, om een valse kleurlingenachtergrond bij elkaar te verzinnen, in de verte wat op het Syndroom van Münchhausen by proxy, waarbij een ouder of zorgverstrekker een kind (of huisdier) bewust ziek maakt of ziek houdt. Dat syndroom komt in een overweldigende meerderheid voor bij vrouwen, maar dat  heeft vermoedelijk ook te maken met het feit dat mannen zich traditioneel wat minder met de zorg voor kinderen bezighouden. Opvallend is dat het syndroom wat vaker opduikt bij alleenstaande mannen dan bij getrouwde mannen. Een plausibelere verklaring voor de ‘blackfishing’ en ‘passing’ van Jessica Krug en Rachel Dolezal is wellicht dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in die disciplines waarin slachtofferschap gekapitaliseerd wordt, zoals genderstudies, postkolonialisme, disability-studies, en sociaal-constructivisme. Over die disciplines is net een boek verschenen: Cynical Theories. How Activist Scholarship Made Everything about Race, Gender, and Identity – And Why This Harms Everybody van Helen Pluckrose en James Lindsay. In die domeinen is ook de gedachte populair dat je alleen recht van spreken hebt als je zelf tot een minoriteit behoort. Een cruciaal concept is ‘lived experience’. Ik denk dat mannen ook wel geneigd zijn om zich te associëren met het ‘covert prestige’ (ja, het wemelt hier van de sociolinguïstische termen, deze is al wat ouder) van etnische minderheden. Maar die mannen zijn ondervertegenwoordigd aan de universiteitsfaculteiten. Uit onderzoek van Eline Zenner en collega’s blijkt dat mannen geneigd zijn om meer Engelse codewisselingen door te voeren in hun spraak dan vrouwen, om zich aan te schurken tegen het kosmopolitisme dat ervan uitgaat. Het idee dat blackfishing een unieke hebbelijkheid is van vrouwen, waar ze al dan niet toe gedwongen worden door de benadeelde positie die ze innemen in het academische bestel, lijkt me een uiting van de kwalijke neiging om alles te bekijken door de lens van slachtofferschap of gender, de kernactiviteit van de Victimhood Studies uit dat verontrustende boek van Pluckrose en Lindsay.

Afbeelding van jairojehuel via Pixabay