Hella S. Haasse, Oeroeg (1948)

Door Frank Willaert

“Oeroeg” van Hella Haasse verscheen voor het eerst, anoniem, in 1948, als Boekenweekgeschenk. De novelle werd vele malen herdrukt, in 2020 voor de achtenvijftigste keer, waaraan het gegeven niet vreemd zal zijn dat ze ook in de scholen nog veelvuldig wordt gelezen. In het onderzoek dat Jeroen Dera over de leeslijsten in havo en vwo heeft verricht (@icaties/de-praktijk-van-de-leeslijst) komt “Oeroeg” op de veertiende plaats. Ook in Vlaanderen komt het boek, voor zover ik weet, vrij veel op de leeslijsten van middelbare scholen voor. Mijns inziens terecht, want het verhaal van de teloorgang van de vriendschap tussen de ik-verteller, zoon van een Nederlandse koloniaal, en een Indonesische jongen bevat zeker ook vandaag veel stof tot nadenken en zeker voer voor discussie. Vanaf de eerste bladzij verneem je dat die vriendschap, hoe idyllisch beschreven ook, eindig zal zijn. Het verschil in sociale status, gekoppeld aan huidskleur en achtergrond blijkt die verwijdering onontkoombaar te maken.

Het fragment dat ik voorlees, is de bezegeling van die verwijdering. Niet toevallig vindt de ontknoping plaats aan Telaga Hideung, het Zwarte Meer, een mysterieus maar ook gevaarlijk meer, dat in de kindertijd van beide protagonisten al een grote rol speelde. De ik-persoon is na een jarenlang verblijf in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog in volle koloniale oorlog in het zog van Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger naar Nederlands-Indië teruggekeerd. In een verwoest land gaat hij op zoek naar een tijd, een plaats en een vriendschap, die definitief verloren blijken.