Gedicht: Van Schagen & Scheefhals

Kleine nocturne

De zwarte zwalen kwamen halen
De rilde zwemen van het ven.
Nog vóór haar lage walen vralen,
Verzonk de zimze in het gren.

De rolde bunting zong zijn rode,
De maan bepeinsde zwemerwen,
Doch gondervoorde stond de Dode
En grijnsde streft het kenstergen.

Sinds groven rosterkant venonen
De zimsterweme tendelit,
Alleen die achter zesver wonen,
Die weten nog van zwanenwit.

J.C. van Schagen (1891-1985)

••

Hoor, de bjerre!

Braag grovend met alle gebrieuwen
verjoeten de elings het jat,
net iver de dwalingse gat,
grit over en onder het snieuwen.
o, wat hat, wat hut en wat huwen!
Ik pat mij in uterig klin.
Zou ’t ooit nog gaan zuien of zuwen,
ofmoetikerooknogbijin?

Carel C. Scheefhals (1915-1995)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.