Gedicht: Jacob Hiegentlich • Einde

Einde
Voor Raoule

Wat heeft mij in den regenenden tuin gedreven?
Ik zocht of er ’n enkle bloem nog bloeien zou
die gaaf en schoon genoeg was om de vrouw
die mijn vriendin is, wel te kunnen geven.
Een roos was schoon en gaaf genoeg gebleven
hoewel zeer donkerrood van kneuzende kou;
met teere zorg behield ik haar in ’t leven
dat gaarne geurende ontvluchten wou.

Toen ik omzichtig het geschenk haar geven wilde,
dwaalden zacht neer, donkerrood en stil de
blaadjes. Ontsteld stond ik met leege handen daar,
en zij, ook zij maakte ’n erg triest gebaar.
Op straat klonk toen het tragisch raatlen van
den grauwgeboezeroenden vuilnisman.

Jacob Hiegentlich (1907-1940)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.