Gedicht: Gellu Naum • De stuiptrekkingen van een rijk

Bij Vleugels verscheen een vertaling door Jan Mysjkin van een keuze uit de gedichten van de Roemeense surrealistische dichter Gellu Naum, onder de titel De andere kant – Pohemen.

De stuiptrekkingen van een rijk
waarvan ik allang geen deel meer uitmaak

Laat op de dag wanneer ik me op hun hoogte bevind
dansen meisjes in de duisternis ze hebben veel armen ze houden op
ze vragen me ten dans alsjeblieft we hebben ook cassettebandjes
        met iemand die tot stervens toe zingt
ach hoe dragen we hem in ons oor mee en hij zingt net zo voor ons
ach zuchten we wat je zoal tot stand brengt wat betekent dat
en kom laten we elkaar omarmen laten we leven laten we onze
        schoenen vragen of we nog bestaan
en kom laten we wegzweven in een gewest waar eenieder
        buitengewone dingen toekent aan ieder ander
maar daar gaat hij al hij buitelt naar de oeverweide ach hoe zingt
        de nacht op de brug
daar vanwaar niemand terugkeert
we zouden het water en de nacht moeten maaien zodat er geen
        spoor van zijn doortocht overblijft

ik praat met de meisjes het is een nogal ingewikkeld spel
sommigen onder hen sterven verzilverd drijven ze op het water
anderen roken het gloeiende uiteinde van hun sigaretten vonkelt
        tegen de hemel en brengt ons op een dwaalspoor

Gellu Naum (1915-2001)
uit: De andere kant – Pohemen (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.