Dit is niet een slagroomgebakje

Door Marc van Oostendorp

Een kennis had tijdens de kerstvakantie een logé uit het buitenland en ze kwamen te spreken over een eigenaardigheidje van de Nederlandse taal: wanneer zeg je niet en wanneer zeg je geen?

Dat is een kwestie waar heel veel dimensies aan zitten – en een heleboel ervan worden uitgelegd in de onvolprezen Modern Syntax of Dutch. Maar niet alles: in de Algemene Nederlandse Spraakkunst, zo mogelijk nog onvolprezener, wordt een aspect uitgelegd dat niet in de Engelstalige grammatica staat, en dat ik ook niet snap.

Vergelijk de volgende zinnen:

  1. Ik wil geen gebakje.
  2. Ik wil niet een gebakje. [uitgesloten]
  3. Ik wil geen gebakje waar slagroom op zit.
  4. Ik wil niet een gebakje waar slagroom op zit.

In het normale geval – geïllustreerd door de eerste twee zinnen – vervangen we niet een door geen. Die vervanging is ook verplicht – vandaar dat de tweede zin niet kan. Maar, zegt ANS, als de bepaling ‘uitvoeriger’ is, kan niet een wel blijven staan. Dat blijkt uit de vierde zin, die ik inderdaad ook veel beter vind klinken dan de tweede. Maar waarom?

Ik denk dat relevant is dat je de tweede zin ook beter kunt maken door een gebakje met nadruk en langzaam uit te spreken: ik wil niet EEN GE-BAK-JE. Het is als het ware alsof je om een grotere zelfstandignaamwoordgroep een dikkere grens plaatst. En dat het samensmelten minder nodig wordt als er tussen niet en een een dikkere grens staat:

  • Ik wil niet [ een gebakje. ] [uitgesloten]
  • Ik wil niet [ een gebakje waar slagroom op zit ]

Dat klinkt wat vergezocht, maar in het Duits gebeurt iets soortgelijks. Daar smelt een voorzetsel (bijvoorbeeld: zu) soms samen met een lidwoord (dem):

  • Ich möchte zum Bäcker.

Maar dat gebeurt niet als er een uitgebreide bepaling na het zelfstandig naamwoord komt:

  • Ich möchte zu dem Bäcker der diese guten Sahnetorten verkauft.

Ook hier lijkt het iets met de lengte te maken hebben van de woordgroep. Dat is natuurlijk bijzonder omdat die lengte als het ware pas komt na het zelfstandig naamwoord. Maar bij het samentrekken van niet en een of zu en dem houd je daar kennelijk al rekening mee.

Foto: slagroomtaart, Gerbenn, Wikimedia