De club ‘Van zessen klaar’ (1898)

Dorus nodigt ‘Het Joodje’ Jacob de Haas uit om lid te worden van zijn vriendenclub. Tekening van Rie Reinderhoff (1903-1991) uit de zevende druk van De club ‘Van zessen klaar’ uit 1950.

Jeugdverhalen over joden (125)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Cornelis Johannes Kieviet (1858-1931)

Herkomst en drukgeschiedenis

C. Joh. Kieviet – zoals zijn schrijversnaam luidt – schreef tussen 1890 en 1931 zo’n vijftig jeugdboeken. Hij had daar een bijzondere methode voor. ‘Elke avond schreef hij acht tot tien schoolschriftblaadjes vol met een klein en regelmatig handschrift. De volgende dag liet hij zijn pennenvruchten door zijn leerlingen in de klas voorlezen; zo kon hij hun spontane reacties peilen. Doorgaans schreef hij een boek in vier tot vijf weken’, aldus A.W.J. de Jonge in een biografisch portret.

         Kieviet kon zich als onderwijzer goed verplaatsen in de belevingswereld van kinderen. Zijn bekendste personage is de kwajongen Dik Trom. In 1928, op zijn zeventigste verjaardag, vroeg het dagblad Het Vaderland aan Kieviet waarom hij jeugdboeken was gaan schrijven. ‘Ik was getroffen door de zoetheid van de kinderlitteratuur dier dagen. (…) Ik wilde een nieuwen geest brengen in de kinderlitteratuur.’

         De club ‘Van zessen klaar’ verscheen in 1898 bij uitgeverij Valkhoff en Van den Dries in Amersfoort en beleefde tot 1950 zeven drukken, bij verschillende uitgevers. In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk.

Samenvatting

Dorus zit in de tweede klas van de HBS. Hij is dik bevriend met Karel en drie andere jongens uit zijn dorp, ergens onder de rook van Haarlem. Aan het begin van de grote vakantie richten zij met z’n vijven een fietsclub op.

         Ook Jacob de Haas, zoon van een joodse slager, heeft een fiets, maar hij heeft geen vrienden. ‘Reeds op de dorpsschool’, aldus Dorus, de verteller van dit verhaal, ‘was er eene verwijdering tusschen ons ontstaan, waarvan de reden was, dat wij hem nog al eens plaagden en uitscholden, omdat hij een jood was. Menigmaal had hij den plaaggeest een flink pak slaag gegeven, maar toen kwam hij van den regen in den drop, want wij, Christenjongens, trokken natuurlijk partij voor elkander, en zoo kreeg hij meer klappen dan hem lief kon zijn.’

         De ‘Christenjongens’ noemen Jacob steevast ‘het Joodje’. Dorus vindt het bij nader inzien onheus dat Jacob wordt gepest. ‘Kan hij het dan helpen, dat hij een jood is? En is een jood goed beschouwd minder dan wij?’

         Als de vrienden illegaal kievietseieren gaan zoeken, worden zij niet door de veldwachter opgepakt omdat Jacob hen net op tijd waarschuwt. Als ze niet lang daarna Jacob tegenkomen, roept Karel: ‘Hola Joodje, wacht eens even!’ Dorus: ‘Nu weet ik wel, dat wij hem de laatste jaren nooit anders dan zoo genoemd hadden, maar toch deed het mij zeer, dat ik Karel hem nu weer bij dien naam hoorde aanspreken.’

         Jacob wordt kwaad. Hij zegt, terwijl hij de jongens met zijn ‘zwarte ogen’ indringend aankijkt: ‘Nu, dan verzoek ik je voortaan te willen herinneren dat ik een naam heb en dat het algemeen gebruikelijk is, iemand bij zijn naam te noemen!’

         Dit dwingt respect af bij de jongens. Zij besluiten hem voortaan Jacob te noemen. Karels tante is er blij mee. ‘Want die scheldnaam was haar altijd eene ergernis geweest, waarover zij ons al dikwijls onderhouden had.’

         Dorus stelt aan zijn vrienden voor om Jacob tot de fietsclub toe te laten. ‘Wij hebben hem altoos schandelijk behandeld, en dat verdiende hij niet.’ Na enige discussie stemmen de andere jongens ermee in.

         Jacob wil niet meteen lid worden. ‘Ik zou bang zijn, het aanzien van je club schade toe te brengen door mijne toetreding.’ Maar hij doet toch mee en zij noemen hun fietsclub ‘Van zessen klaar’.

         Jacob blijkt hartelijk en gul en in de spannende avonturen die de club beleeft, betoont hij zich ‘de beste van ons allen’. Dorus: ‘Hoe meer wij hem leerden kennen, hoe meer het ons bleek, dat hij een edel hart in zich omdroeg. Het duurde maar kort, of wij hielden allen even veel van hem, en wij konden het ons later nooit begrijpen, hoe wij hem vroeger zoo geplaagd konden hebben. De naam ’t Joodje had voor goed afgedaan.’

Doelgroep en receptie

De club ‘Van zessen klaar’ heeft als ondertitel ‘Een jongensboek’. Het werd enthousiast ontvangen in de pers. Zo noemde het Rotterdamsch Nieuwsblad het ‘een boek vol vroolijkheid’ en het Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage oordeelde: ‘Flinke, gezonde lectuur voor jongens (…) De schrijver teekent in dit boek de jongens zooals ze kunnen en moeten zijn, wil er in hun later leven iets flinks van komen.’

         Opmerkelijk is dat geen van de recensenten ingaat op het onjuist bejegenen van ‘het Joodje’, terwijl dat een belangrijk thema is waar Kieviet uitgebreid aandacht aan besteedt. De enige bespreking waarin dit wél aan de orde komt, verscheen in 1900 in het tijdschrift De Vrouw, veertiendaagsch blad gewijd aan de onderlinge opvoeding der vrouw.

         ‘Dit boek te recenseeren is mij een waar feest’, aldus de anonieme recensente. ‘Het is heelemáál een boek vol deugden, een eerste-rangs-boek voor onze jeugd; maar er komt één figuurtje in voor dat éénig mooi is van opvatting en teekening. Het is dat van Jakob [sic], het “Joodje”, een gewoon slagersjongetje, maar met een princelijke ziel, dat door zijn christelijke schoolmakkertjes op hoogst onchristelijke wijze wordt gemeden, genegeerd en zelfs genegerd [getreiterd, mishandeld]; en dat zich wel dapper met zijn vuisten verdedigde waar noodig, doch zijn mooi, hoog zieltje evenmin liet verbitteren in haat, als vergroven in slaafsche onderwerping. In de mij bekende kinderliteratuur ontmoette ik zulk een beeldje nog niet.’

         Jacob doet de schrijfster zelfs denken aan Alfred Dreyfus – de joods-Franse officier die in 1894 ten onrechte was beschuldigd van verraad. Zij omschrijft ‘het simpele slagersjongetje’ als ‘een superieur individu van een gewoonlijk geminacht ras’ en als een ‘zoon van het verdrukte ras’. Overigens was de recensente van mening dat dit ‘jongensboek’ een breder publiek verdiende. ‘Een flinke meid van dertien heeft in zulk een “jongensboek” méér schik dan in zoo’n zoet-lief-meisjesboek (…). Uit een boek als dit leert zij den jongen kennen, met zijn kinderachtige fouten en mannelijke deugden.’

De ‘invuile’ jood Mozes

Herman knijpt de joodse koopman Mozes, die hem heeft bedrogen, de keel dicht. Mozes smeekt om zijn leven. Illustratie van Eelco ten Harmsen van der Beek (1897-1953) uit De zeeroover van Oostzaan (1927).

Bij mijn weten biedt Kieviet slechts in één ander boek relatief veel ruimte aan een joods personage: de koopman Mozes in De zeeroover van Oostzaan uit 1927. In dit boek beschrijft Kieviet het avontuurlijke leven van Claes Compaen (1587-1660). Deze Oostzaanse zeeman was aan het begin van de zeventiende eeuw een beruchte kaper. Hij was vooral actief voor de kust van Noord-Afrika.

         Zo zachtzinnig als Kieviet in 1898 Jacob portretteerde, zo hard beschrijft hij Mozes – waarom is mij niet duidelijk. De jonge hoofdpersoon Herman ontmoet deze opdringerige joodse koopman in Marokko. ‘De man zag er invuil uit, zijn kleeren waren haast te vies, om ze met een tang aan te raken, zijn handen en aangezicht hadden blijkbaar in langen tijd geen water gevoeld en zijn zieke oogen waren rondom ontstoken en bedekt met aangedroogd vuil.’

         Volgens Kieviet drukt Mozes zich meteen ‘met Joodsche bewegelijkheid’ tegen Herman aan. Als de jongen hem vraagt: ‘Ken ik je?’, is zijn antwoord: ‘Ken ik je? Ken ik je niet? Ha, zal ik je niet kennen? Als wij toch vroeger al dikwijls negotie met mekaar gedaan hebben?’

         Dat het antwoord van Mozes volledig uit wedervragen bestaat, is geen toeval: Kieviet bevestigt hiermee een bekend vooroordeel over joden. Namelijk, dat zij een vraag bij voorkeur beantwoorden met een tegenvraag – in de volkstaal wel een jodenantwoord genoemd. Kieviet houdt dit tamelijk consequent vol: bijna alle uitspraken van Mozes zijn in de vragende vorm.

         Hein, de broer van Herman, is in Marokko tot slaaf gemaakt. Mozes liegt dat hij hem weet te vinden. De bootsman waarschuwt nog: ‘Onnoozele jongen, geloof jij dien jood dan? (…) Al dat volk zijn bedriegers.’

         Herman wil zijn broer vrijkopen met kostbare sieraden, die hij aan Mozes laat zien. ‘Het flauwe licht flikkerde in de diamanten, waarmede sommige ervan bezet waren, en de Jood greep er met bevende handen naar om ze te bekijken met oogen, waaruit de hebzucht Herman tegenblonk.’ Niet lang daarna slaat Mozes Herman bewusteloos. ‘Wou jij naar je broer? Hahaha, zoek hem zelf. Ik weet evenmin, waar hij is, als jij, maar die echte steenen en dat heerlijke goud en zilver zal het mijne zijn, ook zonder dat ik je bij hem breng!’

            Als Herman en de bootsman later bij toeval Mozes tegenkomen, smeekt de koopman huilend hem niet te doden. ‘O wee mij, genade, genade.’ Aan het eind van het verhaal brengt Mozes broer Hein aan boord van het kaperschip, dat net de haven verlaat. Mozes: ‘Heb ik woord gehouden? Doe ik, wat ik beloofd heb?’ Herman pakt zijn geld. ‘De Jood keek met begeerige blikken toe. Eindelijk lagen de blinkende geldstukken voor hem gereed.’

Maar op het moment dat Mozes de munten ‘met zijn vieze handen’ wil aannemen, wordt hij op last van kapitein Claes Compaen overboord gezet. ‘Mannen, gooit dien Jood in zee! Wat heb ik met zijn praatjes te maken.’ Met moeite weet Mozes de kust te bereiken.

         Tussen december 1925 en juni 1926 verscheen De zeeroover van Oostzaan als feuilleton in dagblad De Zaanlander. In boekvorm verscheen de eerste druk in 1927, de tweede druk in juli 1945, beide bij uitgeverij Van Holkema & Warendorf in Amsterdam. De passages over Mozes zijn in al deze uitgaven gelijk.

         In de pers werd het boek goed ontvangen: ‘om van te genieten’, ‘tafereeltjes vol humor’, ‘stevige, gezonde, boeiende lectuur’. Geen van de recensenten wijdt een woord aan Mozes. De ene krant beval het boek aan voor jongens van twaalf tot zestien jaar, een ander dagblad voor jongens van acht tot vijftien jaar.