De balling, of Beloonde ouderliefde (1843)

Solomo (‘een Jood, in eene Poolsche pels gekleed’) in gesprek met een houthakker. Illustratie van Carl Christiaan Fuchs (ca.1794/95-1855) uit De balling, of Beloonde ouderliefde (1843).

Jeugdverhalen over joden (123)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

In het voorwoord benadrukt de anonieme auteur hoe belangrijk hij het vindt dat kinderen hun ouders onbaatzuchtig liefhebben. In het verhaal wordt die liefde beloond: een vader mag dankzij de onbaatzuchtige liefde van zijn zoon terugkeren uit ballingschap. Het joodse personage speelt in dit verhaal een relatief belangrijke bijrol. De balling, of Beloonde ouderliefde verscheen eind 1843 bij uitgeverij P.J. Meijer Jr. in Amsterdam en beleefde één druk.

Samenvatting

Dit verhaal speelt aan het eind van de 17de eeuw in Rusland, tijdens het bewind van tsaar Peter de Grote. Op een koude winterdag, ergens op het platteland, wordt de joodse handelaar Solomo overvallen door rovers, die hem ook zijn kleren afnemen. Slechts gekleed in een hemd klopt hij aan bij een kasteel. Uit medelijden laat de portier laat hem binnen.

         Eenmaal binnen ontstaat er rumoer als de aanwezige gasten Solomo beter bekijken. De handelaar is groot, heeft gitzwart haar en zijn huid heeft een ‘akelig bleek gele kleur’. ‘Uw schelmengelaat verraadt u: gij zijt een Jood!’ wordt er geroepen. Solomo: ‘Ja, ik behoor tot deze zwervende en diep vernederde natie.’ Geknield smeekt hij of hij een nacht mag blijven; buiten zal hij sterven van de kou. De portier heft zijn zweep op om Solomo naar buiten te jagen maar dan treedt kasteelheer Bajowits binnen. Die zegt: ‘Gastvrijheid is mij heilig. Of gij Jood of Christen zijt, het zal u hier aan niets ontbreken. (…) Jezus wil dat wij ook onze vijanden zullen liefhebben en weldoen.’

         Solomo wordt ziek maar kan blijven tot hij beter is. Bij zijn vertrek krijgt hij geld en een warme pelsjas mee.

         In de jaren daarna krijgt Bajowits een conflict met tsaar Peter. Voor straf wordt hij verbannen naar Siberië. Zijn zoon en dochter worden ondergebracht bij een tante in Moskou maar hebben het daar zo slecht dat ze weglopen en terugkeren naar hun geboortegrond. Toeval wil dat Solomo daar net op zoek is naar Bajowits; hij heeft een schuld te vereffenen. Tegen de kinderen van de edelman zegt hij (in een hoofdstuk getiteld ‘De dankbare Jood’): ‘Ik ben een Jood, maar ook een Jood kent de pligt der dankbaarheid.’ De handelaar geeft de kinderen een beurs met zilveren roebels. Als zij die weigeren zegt hij: ‘Ik ben rijk, gelijk uw vader eenmaal rijk was, en indien ik u honderd zulke beurzen gaf, het zoude mij niet arm maken. Mijn handel is in juweelen.’

         Op hun verzoek brengt Solomo (‘de brave Israëliet (…), de edele Jood (…), de man van Israël’) de kinderen bij hun vader in Siberië. Na een paar jaar moet de zoon dienen in het leger van tsaar Peter. Hij valt op door bekwaamheid en moed en krijgt een onderscheiding aangeboden. Maar liever keert hij terug naar zijn vader in ballingschap. Dit raakt de tsaar zo dat hij de ballingschap opheft.

Schande van het gezond verstand

Interessant is dat de schrijver de eerste scène (rumoer als de kasteelgasten ontdekken dat er een jood is binnengelaten) toelicht in een voetnoot. De tekst luidt: ‘De Moscoviters beschouwden het in dien tijd als eene groote ontheiliging, indien zij eenen Jood in hunne woning ontvingen, of met hem aan eene tafel aten. Een vooroordeel, waarmede ook andere Christen volken, tot schande der menschelijkheid en van het gezond verstand, langen tijd zijn besmet geweest.’

Doelgroep en receptie

De balling, of Beloonde ouderliefde heeft als ondertitel ‘een verhaal voor de Nederlandsche jeugd’. In een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 4 december 1843 noemde uitgever P.J. Meijer Jr. deze titel, samen met twee van zijn andere uitgaven, ‘bijzonder geschikt voor St. Nicolaas-geschenken’.

         Van De balling, of Beloonde ouderliefde heb ik geen besprekingen gevonden.