Wat gebeurt er met sk-?

Door Henk Wolf

In de loop van de eeuwen is sk- in veel Nederlandse dialecten veranderd in sch-. Zo zijn schijnen en schaap de vormen geworden die in de standaardtaal in gebruik zijn. Niet alle dialecten hebben echter aan dat proces meegedaan. Zie het bovenstaande kaartje van Jan Stroop. Bovendien zijn er hier en daar ook onvolledige veranderingen, waarbij de medeklinker na de s zo’n beetje tussen een k en een ch in hangt. Zie dit stuk van Jo Daan.

In het Fries in Nederland staat sk- nog zo vast als een huis. Dat geldt ook voor het Fries op de Duitse Waddeneilanden Föhr, Amrum en Sylt en op Helgoland.

Interessant is het Fries van Saterland, vlak over de Nederlands-Duitse grens bij Groningen. Daar is de verandering van het oude sk- namelijk nu gaande. En het is niet duidelijk welke kant die verandering op gaat. Een woord als skiene (‘schijnen’, hier naar de uitspraak gespeld), dat in het Nederlandse Friesland en op de Noord-Friese eilanden overal met sk- wordt uitgesproken, kent in het Saterland tegenwoordig maar liefst vijf verschillende uitspraakvarianten:

– skiene
– schiene
– sjkiene
– sjchiene
– sjiene

Voor een dialect met naar schatting hoogstens tweeduizend sprekers is dat een grote variatie. Die variatie was me in de jaren negentig al opgevallen en ze is een paar jaar geleden ook bevestigd door onderzoek van Jörg Peters.

Het mooie is dat je redelijk goed kunt raden hoe deze verscheidenheid kon ontstaan. Ten eerste is er de tendens om plofklanken door wrijfklanken te vervangen. Die is in de geschiedenis van talen behoorlijk gewoon. Dat we nu vis zeggen en niet pis, komt doordat er in de verre voorgeschiedenis van het Nederlands, ver voor de jaartelling, ook al eens opruiming in de plofklanken is gehouden. Zo kunnen we dan ook de Saterfriese overgang van k naar ch verklaren, dezelfde die we ook in de geschiedenis van het Nederlands hebben gehad.

Als tweede: parallel aan die verandering wordt de uitspraak van de Friestaligen in het Saterland tegenwoordig sterk beïnvloed door de uitspraak van het Duits, dat ze ook allemaal vloeiend beheersen. In het Duits komt aan het begin van een lettergreep de klank s zelden voor als er meteen daarop nog een andere medeklinker volgt. De oude s– is in het Duits een sj– geworden in zulke posities: het Duitse woord voor ‘stil’ klinkt bijvoorbeeld als sjtil.

Jongere sprekers van het Saterlandse Fries volgen dat systeem en zeggen niet meer sl- of sn-, maar net als in het Duits sjl en sjn-.

Alleen heeft het Duits maar weinig woorden die met sjk-beginnen. Die klankreeks past niet goed in het klanksysteem van die taal, de historische voorkomens van sk- zijn in het Duits vervangen door sj-. Dat beïnvloedt een deel van de Friestaligen ook weer, die de Friese klankreeks sk- vervangen door sj-, zodat in het Saterfries de vorm sjiene ontstaat. Andere sprekers handhaven wel de laatste medeklinker in de reeks en zeggen nog sjk- of sjch-. Verder heeft het Duits nog een redelijk aantal leenwoorden met sk-, die mogelijk weer een conserverende werking uitoefenen op Friese vormen met de uitspraak sk-.

Bij jonge mensen hoor je eigenlijk geen s- meer in dit soort medeklinkerreeksen. Van de overige vormen is lastig te voorspellen welke het uiteindelijk gaat winnen. Een recente spellinghervorming waarbij sch- nu als sk- wordt geschreven helpt mogelijk een beetje mee om de oude k nog te behouden of die zelfs te bevorderen.