Vondels Kerstnacht: schooner dan de daegen en zo verschrikkelijk

La strage degli innocenti door Matteo di Giovanni. Napels Museo di Capodimonte

Door Ton Harmsen

Traditioneel zijn de laatste tien dagen van het jaar aan De Avonden gewijd, maar in de Kerstnacht gonst toch vooral de ‘Rey van Klaerissen‘ uit de Gysbreght door het hoofd. Een paar jaar geleden ging het gerucht dat men de Gysbreght zou opvoeren in een aan de hedendaagse smaak aangepaste versie, dat wil zeggen dat het zinloze geweld in volle glorie vertoond zou worden, maar dat een tekstschrijver de vier reien zou vervangen. Daarmee zou men het publiek vier hoogtepunten uit de literatuur onthouden. De reien in de Gysbreght zijn wonderschone lyriek. Ook al zijn ze geschreven voor publiek dat een andere taal sprak dan wij en op de hoogte was van enkele zaken die niet iedereen nog kent, met de toelichting van de WB-editie of van de uitgave van Mieke Smits – beide in de schatkamers van onze DBNL – en met een beetje leestechniek zijn Vondels reien een indrukwekkende ervaring.

In de ‘Rey van Klaerissen’, die het derde bedrijf afsluit, spelen twee personen een rol: Herodes en Rachel. Herodes is de onderkoning die toestemming gaf Jezus aan het kruis te nagelen, maar zover is het nog niet: hij is ook de kindermoordenaar van Bethlehem. Rachel is de aartsmoeder van het Joodse volk, de moeder van Jozef over wie Vondel drie tragedies schreef: Jozef in Dothan, Sophompaneas en Jozef in Egypte. Zij ligt begraven in Bethlehem. Als moeder en lokale heilige is zij de aangewezen persoon om het verdriet over de dode kinderen in het gedicht te symboliseren. Vondel verzint het niet zelf: Mattheus 2 zegt ‘Rachel beweende haer kinderen.’

Deze rei heeft acht strofen van zes verzen, jambische viervoeters. De aanhef is een vondst: Vondel laat de Klaerissen de Kerstnacht toespreken: ‘O Kersnacht, schooner dan de daegen.’ Deze nacht is helderder dan de dagen, de ster van Bethlehem overtreft de zon. Drie weken later zou Huygens zijn sonnet op de dood van Sterre beginnen met de verzen:

    Of droom ick, en is ’t nacht, of is mijn’ Sterr verdwenen?
        Ick waeck, en ’t is hoogh dagh, en sie mijn’ Sterre niet.

Daar is het beeld juist omgekeerd: de dag is duisterder dan de nacht. We zien Vondels vreugde over de geboorte naast Huygens’ verdriet over de dood. We zien ook de helderheid van Vondel naast de dichterlijke complexiteit van Huygens.

Verder met Vondel! Zijn volgende verzen borduren voort op de tegenstelling: hoe kan Herodes het licht dat in uw duisternis blinkt verdragen? Nog steeds spreken de nonnen tot de Kerstnacht, maar de tekst gaat over in een vertelling, eerst over Herodes die omdat hij de pasgeboren ‘koning der Joden’ niet kan vinden alle onnozele kinderen laat vermoorden; en vervolgens over de geest van Rachel die door haar verdriet hierover uit haar graf gedreven wordt. Het is een feitelijk relaas in de tegenwoordige tijd, al speelt het bijna dertien eeuwen eerder.
    Die vertelling giet hij in een bijzondere vorm: in de derde strofe volgt op de vraag ‘Wie zal de droeve moeder troosten’ geen troost, maar een beschrijving van de ellende. Daar zien moeders hun vermoorde zoontjes, met moedermelk nog op hun lippen en een mengsel van tranen en bloed op hun wangen. Met een van de bekendste motieven uit de liefdeslyriek, de wenkbrauwen als de boog van Cupido, geeft Vondel een schrijnend beeld: De wenkbrauw dekt nu met zijn boogjes, geloken en geen lachende oogjes.
    Dan volgt een vergelijking met andere vernielingen: de zeis maait het koren, de storm gaat te keer in de bomen. Dat slaat op Herodes, wiens blinde staatzucht heeft geleid tot de kindermoord van Bethlehem, een staatzucht die zelfs over zo‘n schanddaad geen berouw kan voelen: ‘wat klinkt zo schandalig dat het haar rouwt!’
    Daarmee zijn enkele elementen van de funeraire poëzie langsgekomen: de vertederde beschrijving van de overleden zuigelingen, de rouwklachten van de moeders en de vernielzucht van de kindermoordenaar. Alleen de troost ontbreekt nog steeds. Daarvoor richt Vondel zich in de slotstrofe tot de dolende geest van Rachel. Hoe vreselijk het is wat zij ziet gebeuren hebben de Klaerissen al gezegd, maar nu geven zij haar een typisch katholiek troostargument: de onnozele kinderen zijn martelaren. Zij zijn de bouwstenen van de kerk.

Dit argument blijkt een essentiële schakel te zijn in de opbouw van de Gysbreght. De troost die de Klaerissen hier aan Rachel bieden is in het vijfde bedrijf op henzelf van toepassing. Vondel laat de rei dus afschuw uitspreken over de moordenaars van de onnozele kinderen als voorbode van de gruwelijke gebeurtenissen als de belegeraars het vrouwenklooster wraakzuchtig uitmoorden, culminerend in het beestachtige optreden van Haemstede die bisschop Gozewijn voor de ogen van Klaeris van Velzen gruwelijk vermoordt, zich vervolgens aan haar vergrijpt en haar vertrapt tot zij dood is. De functie van een rei is het aangeven van moreel commentaar; hier voegt Vondel laat een extra dimensie aan toe door de rei van Klaerissen zelf de troost te laten aanreiken voor het geweld dat hen te wachten staat.

Deze rei heeft een knap geconstrueerde vorm. Nergens wijkt hij van de woordvolgorde van de spreektaal af, nergens heeft hij omslachtige termen nodig. Met de explicaties van de editeurs is deze tekst volstrekt helder, en naarmate je hem vaker leest wordt hij elke keer mooier. Zonder zijn reizangen kan Vondels Gysbreght niet bestaan.

           Rey van Klaerissen.

    O Kersnacht, schooner dan de daegen,
Hoe kan Herodes ’t licht verdraegen,
Dat in uw duisternisse blinckt,
En word geviert en aengebeden?
Zijn hooghmoed luistert na geen reden,
Hoe schel die in zijn ooren klinckt.
    Hy pooght d’ onnoosle te vernielen,
Door ’t moorden van onnoosle zielen,
En weckt een stad en landgeschrey,
In Bethlehem en op den acker,
En maeckt den geest van Rachel wacker,
Die waeren gaet door beemd en wey.
    Dan na het westen, dan na ’et oosten.
Wie zal die droeve moeder troosten,
Nu zy haer lieve kinders derft?
Nu zy die ziet in ’t bloed versmooren,
Aleerze naulix zijn geboren,
En zoo veel zwaerden rood geverft?
    Zy ziet de melleck op de tippen
Van die bestorve en bleecke lippen,
Geruckt noch versch van moeders borst.
Zy ziet de teere traentjes hangen,
Als dauw, aen druppels op de wangen:
Zy zietze vuil van bloed bemorst.
    De winckbraeuw deckt nu met zijn booghjes
Geloken en geen lachende ooghjes,
Die straelden tot in ’t moeders hart,
Als starren, die met haer gewemel
Het aenschijn schiepen tot een’ hemel,
Eer ’t met een’ mist betrocken werd.
    Wie kan d’ ellende en ’t jammer noemen,
En tellen zoo veel jonge bloemen,
Die doen verwelckten, eerze noch
Haer frissche bladeren ontloken,
En liefelijck voor yder roken,
En ’s morgens droncken ’t eerste zogh?
    Zoo velt de zein de korenairen.
Zoo schud een buy de groene blaeren,
Wanneer het stormt in ’t wilde woud.
Wat kan de blinde staetzucht brouwen,
Wanneerze raest uit misvertrouwen!
Wat luid zoo schendigh dat haer rouwt!
    Bedruckte Rachel, schort dit waeren:
Uw kinders sterven martelaeren,
En eerstelingen van het zaed,
Dat uit uw bloed begint te groeien,
En heerlijck tot Gods eer zal bloeien,
En door geen wreedheid en vergaet.

Bij de DBNL staat de WB-editie van de ‘Rey van Klaerissen’ uit de Gysbreght en de uitgave van Mieke B. Smits-Veldt. Bij Ceneton de tekstuitgave zonder commentaar. Het gedicht ‘Cupio dissolvi’ van Huygens staat op de website van de Opleiding Nederlands in Leiden.