Studentenkerstwedstrijd 2020 – Schilderen met woorden of dichten met kleur? Hoe schilderkunst zich in de zeventiende eeuw vermengde met de literatuur

2020 is een zeer bewogen jaar geweest en veel mensen hebben van zich laten horen. Van wie we nog meer willen horen zijn studenten. Daarom heeft Neerlandistiek speciaal voor hen een kerstwedstrijd uitgeschreven: waar zijn ze het afgelopen jaar mee bezig geweest? Vandaag plaatsen we, met een eervolle vermelding, de vierde van vijf door de jury geselecteerde inzendingen; ‘Schilderen met woorden of dichten met kleur?’ door Suzanne Voets, student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Door Suzanne Voets

Reeds in de oudheid bestond er een strijd tussen schrijver en schilder. De een poogde de ander te overtreffen, hoewel de kunsten wezenlijk niet met elkaar te vergelijken zijn – hoe zeer penseel en pen ook op elkaar lijken, ze dienen toch zeker voor een volstrekt ander doeleinde.
De soms polemische concurrentie zette zich voort gedurende de renaissance, maar rond 1600 vond er een soort omslagpunt plaats: de grote schilders werden geboren, en drukten de grote dichters, die de eeuwen ervoor hoger in het vaandel stonden, als het ware weg. Woorden werden overstelpt door penseelstreken. Bovendien waren de schilders uit op vernieuwing, terwijl de dichters uitgingen van imitatio: de klassieken bleven zij als uitgangspunt hanteren. Beeldende kunst werd gaandeweg steeds meer iets om te aanbidden; het was waarachtiger dan de dichtkunst, omdat de eerste berust op de natuur, die in de juiste of ideale verhoudingen weergegeven moest worden. Het is de maat der dingen en de wetten der natuur die vastgelegd behoorden te worden. De beeldende kunst verhief zich aldus tot een ware wetenschap. De dichtkunst werd mede hierdoor in veel mindere mate gezien als een ambacht.

Maar hoe hevig de concurrentie ook zijn kon, sommige meesters slaagden er nu in zich de twee kunstwerelden eigen te maken, en ze zodoende met elkaar te verenigen. Dichters voelden bijvoorbeeld de noodzaak de kwast ook eens op te pakken, omdat zij het geld vaak niet konden verdienen met enkel hun schrijverij.

Dubbeltalenten

Een voorbeeld van zo’n meervoudige meester was Heyman Dullaert, die in de leer was bij niemand minder dan Rembrandt. Aan zijn schilderijen is dit laatste feit maar al te goed te zien: de vele genuanceerde bruintinten en het laten gloeien van licht zijn ongetwijfeld voortgekomen uit de lessen van de volgens velen grootste schilder die Nederland ooit heeft gekend. Maar hij schreef eveneens een groot aantal religieuze gedichten, die in die tijd door bijna iedereen gekend werden.
Wat velen niet weten, is dat de grote Bredero zich naast dichten ook bekwaam schijnt te hebben gemaakt in de schilderkunst. Dit blijkt onder andere uit een rijmbrief uit 1613 die hij schreef aan ene Jacoba:

“Jacobe goedenacht, mijn eigen zaken roepen
mij tot de schilder-kunst, en die tot zoet gewin.”

Hij was in de leer bij de schilder Francesco Badens, die erg bedreven was in het hanteren van kleuren. Helaas wordt ons de kans ontnomen Bredero’s schilderwerken naast zijn poëzie te houden en te aanschouwen, want geen enkel schilderstuk is bewaard gebleven.
En zo zijn er nog tig andere voorbeelden van schrijver-schilders. Maar de plek waar de zusterkunsten écht met elkaar samensmolten, was toch in het medium waar een gedicht het vaakst aan te treffen is: het boek. Hierin ontstond de harmonie der twee kunsten. Het frequentst werd dan gebruikgemaakt van de combinatie ets-vers. Een toptalent binnen deze categorie was Jan Luyken. Hij begon met schilderen op achttienjarige leeftijd en was in de leer bij de schilder Martin Saeghmolen, die echter niet veel later overleed, wat Luyken naar de etsnaald deed grijpen. Tegelijkertijd met deze ommekeer begon hij te dichten en hij voorzag zijn poëzie van eigen gravures, wat resulteerde in diverse emblematabundels die vaak herdrukt zijn. Een voorbeeld hiervan is Spiegel van het menselyk bedryf, waarin honderd destijds populaire ambachten in prenten worden weergegeven, met elk een motto en een bijschrift in de vorm van een vers. Het emblemagenre was dan ook erg geliefd in deze tijd.

Interkunstualiteit

Binnen dit genre is dan ook duidelijker een vermenging te vinden. We komen hiermee steeds dichter tot ware versmelting van de twee betreffende kunsten. Men kan namelijk veel gevallen vinden van overlapping door te kijken ín de kunst zelve. Allereerst was het Latijnse citaat ‘ut pictura poesis’ (‘een gedicht is als een schilderij’) veelvuldig terug te vinden in de emblemawerken. Hiermee kunnen we nog eens kijken naar het juist genoemde werk van Luyken.
Een van de ambachten die hij aanhaalt, is de schilder. De prachtige ets draagt een bijschrift dat wijst op het feit dat de schilder niet enkel het externe, maar ook het interne van de wereld weergeeft, en wie aandachtig kijkt, ontdekt deze gelaagdheid. Het is een voorbeeld van de interkunstualiteit die zich in werken als deze laat zien. Interessant is ook dat Vondel zich talloze keren schijnt te hebben laten inspireren door schilderijen, waaronder enkele van Rembrandt, Flinck, Van Mander en Sandrart.
De laatste bracht een schilderijenreeks tot stand die gebaseerd is op de twaalf maanden. Vondel schreef voor elk afzonderlijk werk een stukje poëzie. Zo heeft hij bij het schilderstuk dat bij de maand april hoort het volgende gedicht geschreven:

Grasmaent

De blijde Grasmaent voegt een muts met groene pluimen,
Het vrolick grasgroen kleet, de bloemkorf, tulp en luit.
De huisman jaaght de koe in ’t gras, den koestal uit,
En melckt en karnt: ’t is tijt de stat, om ’t velt, te ruimen,
Om bloemhof en om bron, om lusthof en prieel.
De Lente noot de jeught: de Winter heeft zijn deel.

Als je goed kijkt, zijn vele elementen uit dit gedicht terug te vinden in het schilderij.

En ook Bredero laat in een van zijn sonnetten interkunstuele aspecten naar voren komen. Hij benoemt hier expliciet diverse kleurtinten, als construeert hij voor de lezer een stilleven:

‘Vroeg in den dageraad de schone gaat ontbinden
Den gouden blonden tros, citroenig van couleur’.

Opvallend is vooral het schijnbare neologisme ‘citroenig’, dat Utrechtse schilders gebruikten voor het specifieke heldere geel dat Vermeer geregeld gebruikte in zijn werk. Of zou Bredero het gebaseerd hebben op een eigen, verloren gegaan schilderstuk? We zullen het hoogstwaarschijnlijk nooit weten.

De twee voornaamste kunstvormen uit de zeventiende eeuw lijken in die tijd nader tot elkaar te zijn gekomen. Ze hebben zich op vele keren gebundeld om een krachtige dynamiek tot stand te brengen. Schrijvers trachtten zich derhalve te ontwikkelen in een kunst die voorheen als dreiging aanvoelde. Schrijven met een penseel lijkt nog aardig te gaan. Maar zou schilderen met een veer lukken?

Bronnen:
Luyken, J. & Luyken, C (1888). Spiegel van het menselyk bedryf. Leiden: A.W. Sijthoff.
Brom, G. (1957). Schilderkunst en literatuur in de 16e en 17e eeuw. Antwerpen: Het Spectrum.
Vondel, J. van den (tussen 1940 en 1945). Byschriften op de twalef maanden.
https://geheugen.delpher.nl/nl/geheugen/pages/collectie/Boekillustratoren+Jan+en+Casper+Luyken/Jan+Luyken+(1649-1712),+boekillustrator+en+dichter+
https://www.rijksmuseum.nl/nl/collectie/SK-A-385