Kasteelheer tussen boekentorens

Kasteelheer tussen boekentorens
(In memoriam Martin Ros, 1937-2020)

Door Nico Keuning

Martin Ros was decennia lang ‘onderdirecteur’ van uitgeverij De Arbeiderspers. Hij zat in de redactie van het tijdschrift Maatstaf en geldt als medeoprichter van de befaamde reeks Privé-domein, de boekengalerij van (auto)biografieën en egodocumenten. Gedenkwaardig zijn de onnavolgbare boekbesprekingen die hij ruim twintig jaar op de radio hield in de Tros Nieuwsshow. Op 27 april 2015, Koningsdag, zocht ik hem op in Mariënburg, een bejaardenhuis in Soest. Aan het eind van een lange gang stond ik voor de deur van ‘Martin Ros’. In zijn kamer waren de gordijnen gesloten tegen het felle zonlicht. Een kamer vol boeken. Links een boekenrek, rechts hoge stapels boeken op de vloer. Ros zat er in een Louis XVI-stoel tussen. Zijn ronde bebaarde hoofd kwam er als een bleke maan bovenuit. Kasteelheer tussen de boekentorens. Een Shakespeare-koning. Ros keek mij met grote, verbaasde ogen aan. Een enigszins vertwijfelde blik.

Zijn wielerboek Heldenlevens (1987), over onder anderen Fausto Coppi en Gino Bartali, werd in de zomer van 2015 voor de zoveelste keer herdrukt. Dat vertelde ik hem. Wist hij dat niet meer? Ik stelde me aan hem voor en zei dat we een afspraak hadden voor een interview. Ros vertelde in het wilde weg en en passant stelde ik een vraag over een boek dat hij had geschreven, over zijn rol bij De Arbeiderspers, het tijdschrift Maatstaf. Maar Ros stond reeds aan de rand van het grote vergeten, al dook er soms, ineens, vanuit het niets een concrete herinnering bij hem op.

Op basis van flarden uit het gesprek en citaten uit zijn boeken, schreef ik het ‘interview’, dat ik publiceerde (Volzin, juni 2015). Hierbij bij wijze van in memoriam een ingekorte versie.

‘Dit boek is de terugkeer van mij,’ zegt Ros over de herdruk van Heldenlevens. ‘Niemand kent dat meer. De oude helden, de romantiek. Mijn debuut was het wielrennen.’ De eerste druk is van 1987. Met De renner van Tim Krabbé uit 1978 met een omslagfoto van Guus Ros, de broer van Martin, geldt Heldenlevens als een van de gangmakers van een enorme reeks wielerboeken. Sport en literatuur kwamen samen. Onder andere in de Sportbibliotheek van uitgeverij Thomas Rap en in de serie Sport & Letteren van uitgeverij Agathon.

Als nakomertje, wordt Martin Ros in 1937 als negende kind geboren in een oerkatholiek gezin in Hilversum in de arbeiderswijk Klein-Rome: ‘Men was zwaar rooms-katholiek. De klokken van de Vitus-kerk beierden daartoe trouwens dwars door de huizen en bedden van Klein-Rome heen.’ Na de lagere school gaat hij naar het katholiek Lyceum voor ’t Gooi aan de Emmastraat. ‘Ik kon geen spijker in de muur slaan, maar ik kon alles onthouden. Daar is mijn carrière als lezer begonnen.’ Maar lezen was in die tijd een verboden bezigheid, omdat er in boeken vieze woorden stonden. ‘Ouders, waakt zorgvuldig over de lectuur uwer kinderen!’ declameert Ros met stemverheffing. ‘Het was nog erger dan nu de islam. Een dag voor Kerstmis wilde ik Rumeiland lezen van Simon Vestdijk. Ik had het boek verborgen in de schuur tussen allerlei rommel van mijn broers die motoren hadden. Ik had me er enorm op verheugd het te lezen. Triomfantelijk liep ik ermee de kamer in. Mijn vader zei: die viespeuk wil ik hier niet in huis hebben. Kwaad scheurde hij het boek in stukken.’

Elke vorm van seksualiteit werd volgens Ros in die tijd beschouwd als ‘Het Hele Erge’. Om jongens af te brengen van het masturberen en hen te verlossen van hun seksuele driften en lusten moesten ze fietsen. Ros vertelde in de biechtstoel over zijn heimelijke verlangens. De kapelaan gaf de lyceïst het boekwerk van dr. Tissot Dissertation sur les maladies produites par la masturbation. Als je dat had gelezen, ging je nog harder fietsen: ‘Geregeld en groot verlies van zaad veroorzaakt uitputting, debiliteit, onmacht, hartaanvallen, toevallen, bewusteloosheid, uitdroging, magerte en vreselijke hoofdpijnen. De gevoelens stompen af en de ogen worden steeds slechter. Ten slotte komen er ruggemergstoringen en treden ziektes op die leiden tot de dood.’ Dan liever sterven op de fiets, in een lange sprint of op een steile klim.

‘Ik had wielrenner moeten worden,’ concludeert Ros. Maar hij werd lezer. Een zeer veelzijdig lezer en een bezeten uitgever, bruisend van de ideeën en plannen waarvan slechts een deel uitgevoerd werd. Hij werd uitgever en redacteur van het roemruchte Maatstaf. De tijd van Gerrit Komrij, Mensje van Keulen, F.B. Hotz, Maarten ’t Hart: ‘De mooiste tijd van mijn leven.’

Het lezen heeft zijn wielercarrière gebroken. Nadat hij stiekem de film Het liefdeleven van Lucretia Borgia had gezien in het Churchill-theater, ging hij in een tweedehands boekwinkel op zoek naar het boek van Cécil Saint-Laurent, dat hij er niet kan vinden. De boekhandelaar geeft hem de Borgia-trilogie van L. Huna. ‘Toen ik het boek uit had, begon ik meteen opnieuw en was verloren voor het wielrennen.’ Het boek is door een anti-katholiek geschreven en vertaald door A.M. de Jong. ‘Het boek was de doorbraak van de verborgenheid van het seksuele,’ zegt Ros. ‘Als een scheut ging die tekst door me heen. Het lezen!’

Een ander boek dat hem enorm aansprak was Le génie du Christianisme, van Chateaubriand uit 1802. ‘Staat hier,’ wijst hij, ‘linksonder drie delen in de Pleiade-reeks de geschiedenis van het christendom, zijn eigen biografie. Het allermooiste. Ik heb het met een huilbui gelezen. Een merkwaardige figuur die niet zo hoog werd geacht, geen rasschrijver. Een felle katholiek met een hoge positie in de kerk. Hij schreef met een enorme openhartigheid over het leven met zijn vrouwen. Liefde, seks en toch een soort Maria-gestalte. Die dubbelhartigheid! Hij is een van de grootste schrijvers uit de Franse literatuur van de negentiende eeuw. Een heel verweven leven.’

Op het rk-lyceum waar Ros uitblonk, was hij een verfomfaaide figuur in een achterbuurt met gezinnen van tien, twaalf kinderen: ‘Die speelden allemaal op straat. Ik haalde hoge cijfers voor Latijn en Grieks dat niemand kende.’ Hij ging studeren. In Utrecht Geschiedenis. In Amsterdam Politieke Sociale Wetenschappen. Maar opnieuw hield het lezen hem in de greep: ‘Ik las alles en wekte als corrector bij Het Vrije Volk, een krant met zo’n vierhonderdduizend abonnees. Tegenover De Telegraaf aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam.’ Via redacteur Hans van Straten leidde de weg van Ros van lezen naar uitgeverij De Arbeiderspers.

Van het katholicisme in de wielersport is niet veel overgebleven. De paus wil nog wel eens een wielerploeg zegenen en soms slaat een priester of pastoor zijn wijwaterkwast uit over een renner en zijn fiets. Wat is gebleven, is het geloof in een groter verband: het naar de hemel gerichte overwinningsgebaar van de winnaar die zijn zege opdraagt aan de overleden vader, moeder, broer, renner, of vriend.

Na het gesprek dat ik destijds met Ros voerde, daalden we af naar de conversatiezaal om iets te drinken. Ros pakte wat boeken van een stapel, stopte ze in een tas en legde deze in de mand van zijn rollator. We namen de lift naar beneden. Het meisje achter de bar vroeg of we een oranjebitter wilden. Het was immers Koningsdag. ‘Jaaah,’ juichte Ros. Vervolgens stalde hij de boeken als een marktkoopman een voor een uit op tafel. Ik kreeg een privé-voorstelling van de Tros Nieuwsshow: het bezinksel van twintig jaar radio-optreden, boekbespreken. Het boek Het Ardennen offensief van Antony Beevor en Het verraad van Benschop van Bram de Graaf. Zwartboek van het communisme, Misdaden, terreur, onderdrukking, van Stéphane Courtois c.s., De slag om Duitsland 1944-1945, van M. Hastings, Le Baron Ungern Khan des Steppes, van Léonid Youzéfovitch, Jezus van Nazareth, Een realistisch portret, van Paul Verhoeven… Het praten had Ros uitgeput.

‘Waar gaat het heen?’ klinkt hoog en luid zijn vertwijfelde vraag. Hij kijkt mij aan.
‘’s Nachts hoor je de Russische vliegtuigen overvliegen. De industrieën, die willen ze hebben. Ze zijn niet te vertrouwen. Hoort u ze ook? Waar gaat het heen? Dat vraag ik u. Nu ga ik ú interviewen.’