In de schaduw van het verleden

Wonen in gedichten (20)

Door Judit Gera
Met medewerking van wijlen A. Agnes Sneller

Categorie: mens en maatschappij
Moeilijkheidsgraad gedicht: beginners

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Rogi Wieg (1962 – 2015)

Droom

Er waren een tafel, wat kaarsen
en een brood.
Mijn ouders liepen nader,
herrezen uit de dood.

Er waren twee gezichten
heel dicht bij elkaar.
Zij lagen op een bed
gemaakt van mensenhaar.

Er sprong iets op,
ik weet niet wat het was.
Ik hoorde hoe mijn vader
een novelle las.

Mijn vader las iets voor,
een Hongaars gedicht.
Ik luisterde en zag
zijn ogen de regels volgen.
Hij kon niet verder, mijn moeder
nam het over.
Avond was het, de lichten waren
gedoofd en de binnenplaats was verlaten.

Een kettingbrug tussen twee
rivieroevers; aan beide zijden
zonverlichte huizen.
Ik wandel met mijn vader,
maar midden op de brug moet hij
even stilstaan.
Zijn hartslag doet mij schrikken;
wij spreken niet van doodgaan.
Maar van een afgebroken kinderziekenhuis,
een etherslaap die langer dan het leven
duurde.

Dagen in Budapest 1985

Al in 2010 kondigde Rogi Wieg zijn te verschijnen gedichtenbundel Afgekapt dichtwerk aan. De titel is veelzeggend. Het dichten zal worden `afgekapt’, ofwel bruusk worden afgebroken. Het is de dichterlijke verwoording van een toekomst die tot een einde komt; uiteindelijk zal hem in juli 2015 euthanasie worden verleend vanwege uitzichtloos en onomkeerbaar geestelijk lijden.

Wieg heeft zich als kunstenaar op vele terreinen gemanifesteerd. Zo was er nog in 2015 een overzichtstentoonstelling van zijn beeldend werk en presenteerde hij zichzelf ook als ‘muzikant’. De kern van zijn kunstenaarschap vormt evenwel zijn literaire werk. Hij debuteerde al in 1981 als dichter; zijn prozadebuut dateert van 1987. Ook als vertaler van proza en poëzie uit het Hongaars was hij actief. Dit vaak in samenwerking met Mari Alföldy.

Rogi Wieg was de zoon van Hongaarse ouders. Zij waren als jonge mensen in 1956 uit Budapest gevlucht. Een van zijn grootmoeders is in Budapest gebleven. Alleen al vanwege deze grootmoeder was Budapest voor hem een belangrijke stad. Steeds belangrijker wordt voor hem het feit dat hij behalve Hongaarse ook Joodse wortels heeft. Zijn ouders hadden daar nauwelijks aandacht aan besteed. De dichtbundel Khazarenbloed verwoordt de zoektocht van de dichter naar de vorm van jodendom zoals hij die beleeft. Hij trekt een lijn naar de Asjkenazische ofwel Europese Joden, die niet afkomstig zouden zijn uit Israël, maar naast de twaalf stammen van Israël een dertiende stam vormen. De Joods-Hongaarse schrijver Arthur Koestler (1905–1983) beschrijft de achtergrond van de Khazaren. Hij beschouwt hen als de belangrijkste bevolkingsgroep bij het ontstaan van de Hongaarse natie en wilde met zijn theorie het antisemitisme de pas afsnijden door de identificatie van Europese met Bijbelse Joden onmogelijk te maken. Abys Kovács met wie hij zijn laatste jaren doorbracht verzorgde illustraties bij zijn gedichten in De Gids en de bundel Khazarenbloed.

De bundel Dagen in Budapest uit 1985 legt de indrukken van een bezoek aan deze stad vast. Het is een serie korte, elliptische gedichten waarin datgene wat verzwegen wordt zwaarder weegt dan wat wel wordt gezegd. Motieven als weggaan, dood, treinen, aftakeling, sneeuw, winter, avond, vader, moeder, grootmoeder komen vaak voor. Ze hebben allemaal een droomachtig, zweverig karakter. Ik heb drie gedichten uit deze bundel naast elkaar gelegd omdat in alle drie de vader-zoonrelatie centraal staat. Zoals in het gedicht dat de titel ‘Droom’ draagt.

De drie vierregelige strofen in het gedicht ‘Droom’ waarvan de tweede en de vierde regel rijmen, zijn beschrijvend van karakter. Het lyrische ik observeert zijn directe omgeving. Alles wordt in de onvoltooid verleden tijd verteld. Het geheel lijkt een korte film waarvan de beelden zwaar geladen zijn.

De eerste strofe begint met het opnoemen van voorwerpen: ‘Er waren een tafel, wat kaarsen/en een brood.’ Het beeld roept religieuze associaties op vanwege de kaarsen en het brood. Wordt hier een ritueel gehouden? Is er sprake van sabbat? Of wordt de geboorte of opstanding van Christus gevierd? In ieder geval heerst er een gewijde sfeer. In deze sfeer gebeurt iets geheimzinnigs: ‘Mijn ouders liepen nader,/herrezen uit de dood./ In overeenstemming met het inleidende beeld is deze gebeurtenis transcendentaal. De ouders van het lyrische ik zijn herrezen uit de dood. Het is een angstwekkend beeld. Komen ze uit de dood terug om hun kind ter verantwoording te roepen? Heeft hij iets verkeerds gedaan? Hun herrijzenis wordt in ieder geval door de kaarsen en het brood in de context van de herrijzenis van Christus geplaatst. Hebben de ouders zich eveneens voor hun kind opgeofferd?

De ouders worden in de tweede strofe verder beschreven: hun gezichten zijn heel dicht bij elkaar en ‘Zij lagen op een bed/gemaakt van mensenhaar.’ Dat hun gezichten zo dicht bij elkaar zijn, kan verwijzen naar een gemeenschappelijke kist of juist geen kist maar een massagraf. Dit laatste wordt nog versterkt door ‘een bed gemaakt van mensenhaar.’ Onwillekeurig roept dit de associatie met Auschwitz op tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens omdat het haar van mensen massaal werd afgeschoren en na omdat in het museum van Auschwitz dat mensenhaar in vitrines tentoongesteld is. De angst die het lyrische ik voor zijn ouders van Joodse herkomst voelt, wordt hier aan de hand van het droombeeld verwoord. De herrijzenis van Christus uit de eerste strofe gaat over in de verwijzing naar de massale vernietiging van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De derde strofe brengt een wending: ‘Er sprong iets op, ik weet niet wat het was’. Tot nu toe heerste er bewegingloosheid in het gedicht en nu opeens is er sprake van een onverklaarbare verandering van de stasis. Dit kan men duiden als het onverwachte ontwaken van het lyrische ik uit zijn nare droom. Hij bevindt zich aan de rand van droom en wakker-zijn. De derde strofe begint ook met ‘er’ net zoals de eerste en tweede strofe waarin ‘er’ eenduidig naar de droom verwijst. Het komt vaak voor dat men het begin van het wakker worden nog in de droom ervaart. Vandaar dat het lyrische ik niet weet waar dat opspringen vandaan komt. Deze beleving brengt een soort vervreemding teweeg dat in het woord ‘iets’ voelbaar is. ‘Iets’ is het slapende zelf van het lyrische ik, dat op de grens van het onbewuste en het bewuste staat en geen onderscheid kan maken tussen een niet nader bepaald ‘iets’ en zijn eigen lichaam. Hij zou in slaap gevallen zijn terwijl zijn vader een novelle voorlas. Het was een korte slaap want bij het ontwaken van het lyrische ik is de vader nog steeds aan het voorlezen. Werd de droom veroorzaakt door de inhoud van de novelle? Of is dit gedicht een herinnering aan de veiligheid van de jeugd waarin de vader het kind een verhaal voorlas? We weten het niet. We weten alleen dat de nare droom met al zijn surrealisme ooit werkelijkheid was. Een werkelijkheid die het leven van de tweede generatie van holocaust overlevenden en hun kinderen blijft achtervolgen.

Ook in een ander gedicht leest de vaderfiguur iets voor: deze keer een Hongaars gedicht. Kennelijk wil de vader de Hongaarse cultuur aan de hand van literaire teksten aan de zoon doorgeven. Dat schept een band tussen vader en zoon. Voor de zoon is ook de handeling van het voorlezen zelf belangrijk: behalve dat hij luistert, slaat hij de voorlezende vader van dichtbij gade. Het gedicht maakt een zodanig intense indruk op de vader dat hij niet verder kan lezen. Waarom kon de vader niet verder lezen? Misschien was hij oud en vermoeid? Of raakte hij geëmotioneerd vanwege de inhoud, die hem het verder lezen bemoeilijkte. Speelt een traumatische ervaring een rol? Dit stokken van het leesproces duidt stilzwijgend een trauma aan. Juist doordat het onuitspreekbaar blijkt. De moeder neemt het lezen van de vader over. De laatste zin over twee regels verdeeld lijkt een aanwijzing te geven. Avond, gedoofde lichten en verlaten binnenplaats, het zijn gewone elementen van een objectieve beschrijving, zou je kunnen zeggen. Maar tegen de achtergrond van ‘Hongaars gedicht’ en ‘hij kon niet verder’ kun je meer vermoeden. Bovendien plaatst het gedicht ‘Droom’ (uit dezelfde bundel) dit gedicht in een ander daglicht. Of beter gezegd, het werpt zijn schaduw vooruit. Het is avond in het Avondland. De binnenplaatsen zijn leeg. Denk aan de karakteristieke ‘huurkazernes’ in Budapest met de doorgaans drukke en levendige binnenhoven. Ze zijn verlaten, want de mensen zijn er letterlijk uit weggehaald. De Pijlkruisers hebben er hun ‘werk’ gedaan.

Een ander gedicht opent met het ‘waarmerk’ van Budapest: de Kettingbrug (of Lánchíd). Het eerste deel van het gedicht ademt de rustige sfeer van een idyllische wandeling. Het lyrische ik maakt een stadswandeling met zijn vader waarbij ze de kettingbrug overgaan in een zonovergoten Budapest. Maar juist in het midden van de brug moet de vader ‘even stilstaan’. Dat ‘even stilstaan’ staat in het midden van het gedicht. Zoals het voorlezen in het voorafgaande gedicht stokte, zo stokt ook de aangename wandeling in Budapest. De stad en haar verleden verhinderen het voltooien van gewone handelingen zoals voorlezen of wandelen. Evenals bij het voorlezen van een Hongaars gedicht, wordt de zoon nauw betrokken bij wat zijn vader doet of juist niet kan doen. Het horen van de hartslag van de vader doet de zoon schrikken. ‘We spreken niet van doodgaan’, er rust een taboe op dit thema. Maar juist door het zwijgen erover is het doodgaan angstvallig dichtbij en alom aanwezig. De overlevenden van de holocaust ‘weten erover mee te praten’. De tweede generatie wordt genoodzaakt om de codes van hun ouders te ontcijferen om hun drama te achterhalen. Zo’n code is het afgebroken kinderziekenhuis waarover vader en zoon wel spreken. De onbepaaldheid van dat afgebroken kinderziekenhuis – het blijkt niet wanneer door wie en waarom het kinderziekenhuis afgebroken werd – en de binnenplaats in het andere gedicht zijn zulke codes. 

De etherslaap ‘die langer dan het leven/duurde’ verrast. Ether werd in ziekenhuizen als verdovingsmiddel gebruikt. De etherslaap verrast door de vaststelling dat ether ook na het leven blijft werken. Dit wordt weer iconisch weergegeven door het enjambement tussen het woord ‘leven’ aan het eind van de voorlaatste regel en het werkwoord ‘duurde’ in de laatste regel. Bovendien zorgt de onvoltooid verleden tijd van het werkwoord ‘duren’ voor verrassing aangezien tot nu toe de onvoltooid tegenwoordige tijd werd gebruikt. Deze switch tussen de werkwoordstijden laat zien hoe het verleden nog steeds in het heden aanwezig is.

De eenvoud van Wiegs gedichten is schijn. Achter de simpele woorden en zinnen schuilt een traumatisch verleden. De gedichten in de bundel Dagen in Budapest cirkelen rond dezelfde onuitgesproken ervaring: die van de holocaust.

Afbeelding van unserekleinemaus via Pixabay