Gedicht: 5.13 en 5.14

Twee sonnetten uit de door Bas Jongenelen samengestelde sonnettenkransenkrans (14 x 14 sonnetten (van 14 regels)), inclusief per krans een meestersonnet, plus een grootmeestersonnet. Titel: Problemen, dingen, zooi en tribulaties.

5.13

Hij bezigt taal van dwazen en van lijpen,
begrijpt de halve tijd niet wat hij zegt,
lult recht wat krom is en wat krom is recht:
de vaagtaal ligt altijd voor het (be)grijpen.

De grap is dat dat zweverig gedoe
alleen maar werkt bij je gelijkgestemden:
dus managers in je gestreepte hemden,
I’ll say zis only once: ze joke’s on you.

Dus steek je woorden waar de zon niet schijnt,
je prietpraat is mijn ander oor al uit,
jouw moeilijkdoenerij en flauwekul

slaat als een tang op ’s varkens achtereind,
maar weet, als jij je kont keert, klinkt het luid:
‘Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul!’

Marino van Liempt

5.14

Wat stelt hij zich toch aan, die onbenul,
die suffe pencil pusher, zielepoot,
van saaie zak naar grijze middenmoot,
de dooievisjesvreter, slappe lul.

Hij likt naar boven, trapt dan hard omlaag,
zo’n cijferneuker, zeurpiet, waterhoofd,
door focus, meetings van’t verstand beroofd,
De zaagselkop met zijn constant geklaag.

Er komt een dag, dan valt hij door de mand,
weg targets, bottom line en bottle neck,
dan hangt hij aan een boom dat stuk verdriet.

Een nieuwe, vol jargon, betreedt het pand,
de fabels, sprookjes stromen uit zijn bek,
de blauwbilgorgels vallen in het niet.

Marco van den Berg
uit: Problemen, dingen, zooi en tribulaties (2020)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.