Doorscheuren

Onderwijs, segregatie en leesboeken

Door Marc Kregting

1.

Ook in België is de HUMAN-documentairereeks Klassen aangekomen. De oude standenmaatschappij heeft in het gegentrificeerde Amsterdam-Noord haar rug gerecht en toont op scholen een rimpelig gezicht. Kinderen uit rijkere gezinnen hebben nog altijd meer kans opleidingen te volgen die ‘hoger’ heten, kinderen uit minder bevoorrechte milieus raken verstrikt in adviezen die hen een kant opsturen die ‘lager’ wordt genoemd. Dat heet een mattheuseffect en net als een virus beperkt het zich niet tot stads- en landsgrenzen.

Toch doen onderwijsmedewerkers allerhande, inclusief de betrokken wethouder die zich in de serie verzet tegen het patroon, hun stinkende best. Daarmee onderscheiden ze zich van gezagsdragers in een ander tragisch televisiehoogtepunt dat recent te zien was. In het vijfde, laatste deel Education uit Steve McQueens Small Axe betonen zij zich zo niet racistisch, dan toch verregaand onverschillig. Ja, die reeks is fictie die ongeveer vijf decennia geleden speelt in een ander land, maar de wreedheid van de geschiedenis wil dat een benadeelde zwarte moeder er alleen kan protesteren door een brief te schrijven aan de nieuwe minister van Onderwijs, een zekere Margaret Thatcher.

De overeenkomst tussen de twee series is dat onrecht in stand gehouden wordt en gelegitimeerd door quasi-objectieve data. In het Small Axe-deel bewijst een IQ-test dat een zoon aan zijn lot mag worden overgelaten in ‘subnormal’ onderwijs, terwijl hij slim is maar niemand hem helpt met lezen. Boven Klassen hangt het zwaard van het leidende of zelfs bindende schooladvies, gebaseerd op prestatiepercentages over de jaren heen, met staafdiagrammen verlucht. Kennelijk moeten kinderen accommoderen aan hun curve. Snuggere tienjarigen zeggen doodleuk extra les op woensdagmiddag te willen omdat ze ‘een uitdaging’ wensen. Want steeds is er de les dat kinderen hun ‘cv’, waarvan iedereen weet dat er geen centrale verwarming mee wordt bedoeld, al aan het opbouwen zijn – wie nu geen harde resultaten behaalt zal dat later bekopen en heeft dat aan zichzelf te wijten.

Hier regeert de meritocratie. Een mens wordt daarin ‘afgerekend’ op prestaties, alsof die geleverd zouden zijn onder gelijke uitgangsposities. Reni Eddo-Lodge heeft overtuigend laten zien dat in de uniforme hoogste echelons die zo ontstaan onmogelijk bekwaamheid doorslaggevend is. We kennen alleen de term ‘ondervertegenwoordiging’, zegt ze, niet ‘bovenvertegenwoording’. Veel kinderen beginnen hun schooltijd dan ook met een inhaalrace. En de afstanden lijken daarbij juist vervaarlijk toegenomen, richting segregatie, omdat wantrouwen in de overheid gepaard gaat met privatisering. Ooit waren er voor vermogende leerlingen die niet konden meekomen particuliere drilscholen die in kleinere klassen achterstanden versneld overbrugden. Er was ook privéhuiswerkbegeleiding op de vrije markt. Inmiddels bestaat er ‘Cito-training’, voor wie het kan bekostigen. Corona heeft zulke ongelijkheid vergroot.

Al die snibbige feitjes roepen de kwestie op wat precies ‘hoog’ en ‘laag’ veronderstelt. Ze voegen zich bij het lamentatierepertoire van de afgelopen jaren: achteruithollende leesvaardigheid en culturele geletterdheid in het middelbaar onderwijs, mede door het wegpoetsen van literatuurlessen, feiten die hun neerslag vinden in een tanende belangstelling voor de neerlandistiek. Bij al dat pessimisme vraag ik me dikwijls af: waar is het leesboek eigenlijk gebleven? Het gaf geen levensteken in Klassen noch in Small Axe – met een hiaat van een halve eeuw waren er wel schriften te zien, scheurmappen en computerschermen.

2.

Uit de klassieke studie van Leven in metaforen van Lakoff & Johnson is me vooral bijgebleven dat westerse cultuur aan het concept ‘hoog’ in duizend-en-een betekenissen meer waarde toekent dan aan ‘laag’. Onderwijs ontsnapt niet aan die mal. Leerling die ‘opklimmen’ gaan richting universitair onderwijs, leerlingen die ten prooi vallen aan het ‘watervalsysteem’ landen in het beroepsonderwijs. Het hoofd heeft zogezegd meer aanzien dan de handen en zal uiteindelijk beter gesalarieerd worden. Ik zwijg dan nog over reclames waarin het etiket ‘ambachtelijk’ hooguit met kokende en wassende grootmoeders wordt verbonden, of met handwerklieden in lommerrijke uithoeken van het land. Alle ballen op cognitief talent in de kennismaatschappij.

Een ander gevolg van deze hiërarchie is de aanbidding van het etiket ‘academisch’. Het is niet langer exclusief op universiteiten te krijgen, ook ingekantelde hogescholen geven het af. Vreemd is wel dat de mensheid onmogelijk in korte tijd veel slimmer kan zijn geworden, zodat het etiket, door steeds meer studenten verworven, aan devaluatie onderhevig is. Dat proces wil tegengegaan worden door masters en door masters-na-masters en door doctoraten – maar al die briljante academici hebben het werk niet voor het oprapen. Bizar is veeleer dat in deze diplomademocratie, waar een immens en duister middenkader de lakens uitdeelt, nog de grootste vraag is naar vaklieden. Een loodgieter mag misschien niet hoogopgeleid heten, zonder zijn kunde valt elk welzijn stil. Essentieel in tijden van corona, maar voordien al een zogeheten knelpuntberoep, is verder bijvoorbeeld de kinderbegeleider op crèches, erbarmelijk betaald.

Bovendien wekken onderwijsprogramma’s in de kennismaatschappij niet direct de indruk rekening te houden met immateriële waarden die ik maar even laat vertegenwoordigen door het leesboek. Het debat lijkt altijd te moeten gaan over vakken waarin leerlingen slechter ‘presteren’ en waar steevast ‘de lat hoger moet worden gelegd’. Achter zogeheten eindtermen, waar leerlingen in België bij het verlaten van de middelbare school aan moeten voldoen, geldt ‘ambitie’ als drijvende kracht om uit ‘de middenmoot’ te raken. In de recentste versie werden eenzijdige streefdoelen gesteld als ‘STEM-vaardigheden (wetenschappen, techniek en wiskunde), digitale competenties, ondernemingszin en financiële geletterdheid’.

Wanneer ik als vader-burger vervolgens zoek naar het leesboek, dan vrees ik uit het wedervaren van onze kinderen indicaties te hebben voor wat het vertegenwoordigt. In het laatste jaar van de lagere school moest onze oudste dochter een spreekbeurt houden over een boek die eromheen te situeren was. De tekst was aanleiding voor presentatieopdrachten; de inhoud bleek bijzaak. De handigheidjes die de leerling moest demonstreren, stonden in een lijst met criteria. Op de middelbare school heeft onze dochter tot nu toe over een boek naar keuze een filmpje moeten maken en binnenkort dient ze over een ander boek een reclametekst in te leveren. Zulke opdrachten rijmen volgens mij met het afscheid dat juist in de kennismaatschappij is genomen van kennis die autoritair zou zijn. Ze rijmen evenzeer met een term die ook in Nederland over literatuur de ronde doet: ‘leesplezier’. Ik ken geen ander woord dat zo depressief klinkt.

Impliciet steunt dit soort didactiek een omgang met teksten die ik niet slaag te begrijpen en die ik terugvind op rituele plaatsen als de bibliotheek en boekhandel. Hoe recenter die zijn, hoe sterker ze hun core business als decor gebruiken. Sorry dat het boek bestaat! Prioriteit geniet – uitzonderingen niet te na gesproken – de koffiehoek waar de drank te duur is voor mensen wier lot in Klassen en Small Axes wordt betreurd en aan wie ik graag een gratis boek zou gunnen. Naar mijn overtuiging worden zij juist weggejaagd. Aanstichter van dat geweld dunkt me een ideologie die het boek ‘opleukt’ of ‘sexy’ wil maken. Daarbij heerst het denkbeeld dat leerlingen anders afgeschrikt worden, omdat in onopgesmukte verschijningsvorm literatuur ‘elitair’ blijkt.

Dit signalement is kort en onvermijdelijk clichématig, maar hopelijk zijn mijn bezwaren duidelijk. Juist door een knieval te doen voor kinderen aan wie door het middenkader nooit iets gevraagd is, wordt het hun lastiger gemaakt een boek vast te pakken. Als ze letterenbijlagen zouden volgen, herkenden ze de benadering meteen. Er hoort een beeld bij van een martelaar-auteur die bescheiden pocht over de vele jaren die hij aan zijn boek heeft gewerkt. Aan een product, dat met ‘de nieuwe…’niet voor niets aan een achternaam geklonken wordt: het gaat blijkbaar niet om de tekst.

3.

Een paar maanden geleden kreeg Arjen Lubach lachers op zijn hand door de draak te steken met het vak Begrijpend Lezen. Zijn voornaamste voorwerp van spot was de markeerstift, die leerlingen zou helpen signaalwoorden te onderscheppen. Dan gaat het om zakelijke teksten, met een logische opbouw. Leesboeken vinden hun opbouw echter in een niet per se logische opeenvolging van gebeurtenissen, lezers uitnodigend betekenis en variaties te geven. Sporadisch wijkt bovendien de taal af van gangbaar Nederlands. Om zulke zaken te beleven moeten lezers zich voor langere tijd concentreren – een afwezigheid in de communicatiedwang die, leert de ervaring, ruimschoots wordt beloond. Helaas. Het is een gemeenplaats geworden om die functie van verhalen verplaatst te zien naar dramaseries op de televisie, zoals Small Axes; de literaire uitgevers van nu schijnen HBO en Netflix te heten.

Zelf stam ik uit een gezin zonder academische traditie, maar een boek stond er in zo’n hoog aanzien dat ik me ermee aan een gezelschap mocht onttrekken. Het gold als een investering in de toekomst. Tegenwoordig rijst de indruk dat een boek uit een voorbije wereld stamt, iets waarmee lezers zich belachelijk maken omdat het nu eenmaal ‘dodelijk saai’ is. Initiatieven als van Haye van der Heyden die boeken wil uitgeven die maximaal anderhalf uur leestijd vergen snap ik gewoon niet, hoe goed bedoeld ook. Mijn brein associeert ze met een gewoonte van Frits Bolkestein, die gelezen bladzijden uit een boek zei te scheuren.

Ik noteerde deze associatie mede om een bruggetje te hebben naar de hedendaagse vorm die het boek in het middelbaar onderwijs heeft: de scheurbundel. Door onze oudste dochter heb ik daarmee kennisgemaakt. Het gaat om dure, rijk geïllustreerde dingen, werkboeken genoemd, die veredelde kladblokken blijken en die jaarlijks nieuw moeten aangeschaft. Na het invullen van een oefening wordt de bladzijde namelijk verwijderd en valt de bundel niet meer te verhuren. Terwijl literaire huizen wankelen, triomfeert dus de uitgever van schoolboeken bij dit verdienmodel: gegarandeerde afzet! Maar ik wil vooral vaststellen dat het niet eenvoudig is om ‘theorie’ op een rijtje te krijgen. In zogeheten ervaringsgericht onderwijs worden leerlingen geacht de theorie op te bouwen door een soort hogere terugkoppeling van hun sensaties bij aansprekende voorbeelden.

Bij onze jongste dochter, die nog op de lagere school zit, ontdek ik gevolgen van die aanpak. Het leren van de lesstof zou vergemakkelijkt moeten zijn. Inderdaad behoort het inprenten van rijtjes in ellenlange lijsten in dikke boeken, waarvoor het Nederlands allerlei werkwoorden veil had (stampen, vossen, hengsten, blokken, enz.), tot de verleden tijd. Misschien is dat goed, het is niet evident zulke dienende inspanningen te verrichten. Toch vind ik die studeermethode democratisch in vergelijking met wat er nu gebeurt. Leerlingen hebben op de lagere school een soort praktijktheorieboeken, die er schitterend uitzien en in hun wemeling van vragen en van puntjes onder foto’s verleiden tot actieve deelname. Wel is bij nadere blik het overzicht zoek. Soms staan er onder aan een pagina wat definities, in een hoekje, alsof ze verboden doping zijn waarnaar leerlingen alleen in noodgevallen kunnen grijpen.

Mijn vermoeden is dat slechts de allerslimsten bij deze methode floreren. Navraag leert alvast dat ik niet de enige ben die zijn kind ziet zwemmen in een oceaan. Dan is er slechts één redding: opvissen door mee te lezen en alsnog overzicht aan te brengen. Dit ervaringsgericht onderwijs is in laatste instantie oudergericht onderwijs. Heeft elke betrokkene daar wel tijd en vaardigheid voor? Ik vrees dat er veeleer onbedoeld wordt geselecteerd op vooropleiding en beschikbaarheid van de ouders. Waarmee de standenmaatschappij van Noord-Amsterdam in het verre België een dependance heeft gekregen.

4.

Ik wil het leesboek terug.

Wat kan literatuur voor jongeren betekenen? Ik waag me niet aan het zoveelste deltaplan, al was het omdat het antwoord op de vraag voor de hand ligt: alles. Om leesboeken ook daadwerkelijk in het onderwijs ‘uit te rollen’, moet wel even de computer aan de kant als bron van heuristische vicieuze cirkels. Vereiste computervaardigheden kunnen leerlingen, digital natives, bij uitstek op eigen houtje ontwikkelen. Literatuur kan vervolgens terug in zijn hok: van het leesboek. Niet langer hoeft een competentie zich te etaleren door copy-paste – het schadelijkste middel waarmee technologie het denken heeft aangevreten. Eindelijk krijgt elke klas een bibliotheekje. De plaatselijke boekhandel en het antiquariaat kunnen er tegen een fijne prijs titels voor aanleveren. Wellicht voelen uitgevers zich geïnspireerd goedkope reeksen te brengen.

Vervolgens hoeft literatuur zich niet te beperken tot het vak Nederlands. Alle taalvakken kunnen er uiteraard basisbeginselen mee laten zien, en er eerste vertaalpogingen mee lanceren. Maar ook geschiedenis en thema’s annex projecten die maatschappijgericht zijn, hebben in literatuur ideale ingangen. Altijd hebben historische romans niet alleen verhaald van een bepaalde periode, maar er ook een ideologisch perspectief op geboden dat iets zegt over onze eigen tijd. Leesboeken bieden bovendien kennis, bijvoorbeeld met hun decoratieve elementen, de beschreven omgangsvormen, taaluitingen die specifieke sprekers van een gestalte voorzien,…

Het lijkt me ook geen halsbrekende tour om poëzie in lessen te verwerken zonder krampachtig met ‘rap en hiphop’ te hoeven aandraven. Klank en ritme ervaart iedereen. Daarom vond ik het extra jammer dat onlangs een jonge dichter als zoveelste man fulmineerde tegen Alice Nahons ‘’t Is goed in ’t eigen hert te kijken’. Rijmelarij? Juist dit gedicht toont de stiel voorbeeldig (wat van het duchtig in de neerlandistiek bestudeerde fonds Das Mag niet gezegd kan worden). Met het levensverhaal van Nahon is er meteen wat uit te duiden over feminisme, posture en desnoods genderongelijkheid. Ook kan het nooit bewezen verwijt van elitarisme dat poëzie aankleeft naar het rijk der fabelen. Het werk van uiteenlopende dichters als Leopold, Gerhardt, Van Ostaijen en Starink laat uitproberen of door lectuur gedichten zodanig bezit nemen van het lichaam dat ze jaren later, bij het vernemen van losse woorden, kunnen worden gememoreerd.

In het idee dat aan literatuurlezers de wondergave toeschrijft betere mensen te worden, geloof ik niet. Wel zouden leesboeken in het onderwijs luisteren kunnen trainen en bevorderen. Zo wordt tegelijk de uitwaseming van opinies op sociale media gereduceerd, een zwaar ecologisch voordeel. En ‘literatuur’ berust niet langer op zelf doen (creative writing), maar op kennisnemen. Smaak kan iets worden om over te twisten, met argumenten. Maar waarschijnlijk zal de ontdekking al wat aanrichten dat boodschappen van de cultuurindustrie niet met de werkelijkheid overeen hoeven te stemmen. Rustig lezen leert dat redactie een sluitpost is, en dat geschapen verwachtingen over stijl bij gemediatiseerde auteurs luidruchtige constructies kunnen zijn. Ik denk dat de kwaliteit van het aanbod er ook minder toe doet, indien leerlingen eenmaal gewend raken te lezen. Eerst moet er vergelijkingsmateriaal zijn, en sowieso vormen literatuurbijlagen het absurde universum dat een exact aantal ‘ballen’ toekent. Wel vergt juist het uitstellen van een oordeel door te blijven denken een concentratie waaraan een mens kan wennen. Men wordt er een uniek individu van, in plaats van de calculerende burger waarop de disciplinering van meritocratische principes aanstuurt.

Uitstel van oordeel is een eigenschap die je iemand moet gunnen. Evengoed zouden ouders daarbij kunnen helpen, door in huis één kleine ruimte te vrijwaren van tablets of smartphones. Die hulp lijkt me zelfs bij minder bevoorrechte gezinnen realistisch. Ook in Amsterdam-Noord zijn er immers woningen, ooit voor iedereen, nu vooral voor een nieuwe soort immigranten die zich kenmerken door een imposant inkomen. Even afwachten of zij gelukszoekers genoemd worden. Misschien lezen hun kinderen er in boeken over. Wat de prestatie ook behelst die daaruit voortvloeit, ze komt in elk geval ten goede aan de maatschappij als geheel.

(voor Dietlinde)