De 50 beste boektitels aller tijden

Door Wouter van der Land

‘9 gadgets onder 10 euro die je leven zullen veranderen’, ‘De 20 meest hilarische filmbloopers’, ‘De top 40 van de Gouden Eeuw’, ‘10 versiertips die echt werken’, ‘Champignons bereiden: vermijd deze 5 valkuilen’… de media overspoelen ons met genummerde lijstjes en dat doen zij natuurlijk niet voor niets. Bezoekersaantallen en oplagecijfers vliegen ermee omhoog.

Je kunt de vorm ook gebruiken om de aandacht te vestigen op een verwaarloosd onderwerp. Vandaar het hieronder volgende toplijstje: de 50 beste Nederlandstalige boektitels aller tijden.

Drie punten ter toelichting: ten eerste ben ik er vanwege de onmogelijkheid om het goed te onderzoeken vanuit gegaan dat de auteur van een boek ook de bedenker van de titel is. Daarnaast heb ik maximaal één titel van een schrijver opgenomen. Ten derde twijfel ik er niet aan dat er betere titels bestaan dan die in mijn selectie. Ik verneem ze graag!

50. Tessa de Loo ‘De meisjes van de suikerwerkfabriek’ (1983)

Met een persoonsaanduiding in de titel kun je effectief een verhaal suggereren, zoals bij ‘Heren van de thee’ (Hella Haasse), ‘Our Man in Havanna’ (Graham Greene) en ‘Wir Kinder vom Bahnhof Zoo’ (Kai Hermann, Horst Rieck). Deze zoete titel van De Loo past in dit sterke rijtje.

49. Gert-Jan Johannes en Inger Leemans, ‘De vliegerende Hollander’ (2020)

Er zijn woordspelingen die je niet kunt laten liggen en dat moet je zeker niet doen bij een luchtig onderwerp als vliegeren.

48. Conrad Busken Huet, ‘Het land van Rembrand’ (1882-1884)

Het is idioot om je te identificeren met een land en nog idioter om dat weer te verbinden aan een superheld-schilder van eeuwen geleden. Omgekeerd is het een communicatieprestatie van formaat wanneer je dit bij een heel ‘volk’ ingeprent krijgt en deze boektitel speelde daar een relevante rol bij.

47. Appie Baantjer, ‘De Cock en de ontgoochelde dode’ (1970)

Baantjer was niet bang voor clichés. Wanneer De Cock een slecht humeur heeft, is het tegelijk slecht weer in de Warmoesstraat. Maar zijn titels zijn vaak originele vondsten, al beginnen ze allemaal hetzelfde. Andere fraaie voorbeelden: De Cock en de wurger op zondag’ en ‘De Cock en het sombere naakt’.

46. Paul van Ostaijen, ‘De feesten van angst en pijn’ (1921)

Een oxymoron met een extreem emotioneel contrast, die Jeroen Boschachtige beelden oproept. Waarom klinkt deze titel beter dan ‘De feesten van pijn en angst’? De doorslag geeft denk ik dat ‘angst’ hetzelfde einde heeft als ‘feest’ en op de twee hoofdklemtonen krijg je zo twee paukenslagen, of beter hi-hatslagen.

45. Hafid Bouazza, ‘Een beer in bontjas’ (2001)

De in Marokko geboren Bouazza verzette zich in het essay met deze titel tegen het hele idee van migrantenliteratuur, tegen het in hokjes stoppen, tegen de clichés die van schrijvers verwacht worden. De titel verwijst naar een tekenfilm, maar geeft op zichzelf een raak beeld van verstikking en verplichte kunstjes opvoeren.

44. Jan Wolkers, ‘Gifsla’ (1983)

De geboren Oegstgeestenaar gaf met deze titel een niet te missen kans aan de omslagontwerper. Wanneer je ‘Gifsla’ groot over twee regels zet schreeuw je de boekhandelbezoekers toe met de agressieve woorden ‘GIF’ en ‘SLA’.

43. Kees van Beijnum, ‘De oesters van Nam Kee’ (2000)

Qua vorm een combinatie van Wolkers’ ‘Turks Fruit’ (etenswaar als symbool) en Truman Capotes ‘Breakfast at Tiffany’s’ (een bekende onderneming noemen) plus een beetje exotisme. De verfilmers maakten er lidwoordloos ‘Oesters van Nam Kee’ van, maar juister zou ‘De oesters van de Nam Kee’ zijn geweest. Er zijn namelijk verschillende vestigingen.

42. Yvonne Kroonenberg, Zij houdt van hem. Hij ook. (1993)

Het is bijna onmogelijk om met een korte titel een grap te vertellen. Kroonenberg flikt het in zes lettergrepen.

41. Oek de Jong, ‘Opwaaiende zomerjurken’ (1979)

Een wereldberoemde opwaaiende jurk is die van Marilyn Monroe, maar die had er maar eentje. Deze titel dankt zijn kracht aan dat vreemde meervoud. Dankzij een NRC van vorig jaar weten we een beetje van de achtergrond. Het stuk met de eveneens fraaie titel ‘Soms zie ik je heel moe worden, Tilly, maar ik kan niet anders’ omvat een gesprek tussen Oek de Jong en zijn redactrice Tilly Hermans, genoteerd door Thomas de Veen en Jannetje Koelewijn:

‘Tilly: “Als ik het me goed herinner, Oek, ben jij in hetzelfde jaar gedebuteerd als Frans Kellendonk. (…) Ik had het lef om de titel die Frans wilde niet goed te vinden. Hij wilde ‘Gijselhart’ en toen hij vroeg wat ik daarvan vond, zei ik: een sprookje. Kwáád dat hij was. (…) Bij ‘Opwaaiende zomerjurken’ was er ook iets met de titel.” Oek: “Ik had ‘Pathetische Sonate’ bedacht, naar de ‘Sonate Pathétique’ van Beethoven. Maar die werd door niemand goed begrepen en toen zei jij volgens mij: waarom doe je niet ‘Opwaaiende Zomerjurken’? Dat was een van de deeltitels.”’

(NRC Handelsblad, 13 december 2019)

40. Gerrit Komrij, ‘Dit helse moeras’

Les 1 op de communicatiecursus luidt dat je negatieve woorden moet vermijden. Tenzij je daar een goede reden voor hebt. Komrijs handelsmerk was het kleurrijk beschimpen en in de grond boren van maatschappelijke tendensen, prominente personen en oppervlakkige cultuur. Hij schrijft niet over Nederland, maar over een duivelse delta.

39. Jaap Blonk, ‘Klinkt’ (2013)

‘Blonk’ is verleden tijd en zo kom je voor het verzameld werk van deze klankdichter op de tegenwoordige tijd ‘klinkt’. Titels waarin met de auteursnaam wordt gespeeld, zijn zelden geslaagd, maar zo kan het dus ook.

38. Louis Paul Boon, ‘Vaarwel krokodil of de prijslijst van het geluk’ (1959)

Dit lijkt op het eerste gezicht een willekeurig gevormde mallotige titel, maar hij geeft allerlei associaties van melancholie. Dat doet zelfs de krokodil met zijn spreekwoordelijke tranen.

37. Ronald Giphart, ‘Phileine zegt sorry’ (1996)

De grammatica van krantenkoppen is net iets anders dan die van boektitels. Gipharts titel lijkt me bewust headlinese, om een dat-mag-in-de-krantgevoel op te roepen.

36. Hendrik Bindervoet. Robbert-Jan Henkes, ‘Finnegancyclopedie’ (2005)

Het moet als volgt zijn gegaan. Bindervoet en Henkes voltooiden de ‘onmogelijk geachte’ taak om Finnegan’s Wake van James Joyce te vertalen, een roman vol met bizarre woordspelingen als ‘cupenhave’, ‘soot allours’, ‘gemurrmal’ en ‘meandertale’. Het werk nam zozeer hun leven in beslag, dat ze besloten er een boek over te schrijven. De titel daarvan moest natuurlijk ook een woordspeling zijn en dus bij voorkeur beginnen met ‘Finnegan’. Ze zochten dus iets dat begon met ‘ans’ en vonden op klank associërend ‘encyclopedie’. Dat schiep de verplichting om het boek op te delen in alfabetisch geordende lemma’s en dat zorgde er weer voor dat de titel past als een handschoen.

35. Simon Vestdijk, ‘De koperen tuin’ (1950)

Hypallage is de alledaagse stijlfiguur van lekkere bakkies koffie en Corry Konings die ‘Mooi was die tijd’ (De Vries/Munro) zingt. Het bijvoeglijk naamwoord hoort eigenlijk niet bij het zelfstandig naamwoord, maar zo krijg je een meer suggestieve en vaak ook compactere uitdrukking. Ideaal voor titels dus. Vestdijk laat zien dat je de creatieve grenzen kunt opzoeken. Het gaat hier meen ik om een parkje met koperblazers.

34. Herman ter Balkt, ‘Oud gereedschap mensheid moe’ (1975)

Van de maker van ‘In de kalkbranderij van het absolute’ en van ‘Waar de burchten stonden en de snoek zwom’. H.H. ter Balkt, hier onder de naam Habakuk II de Balker, gaf zijn dichtbundels titels met een herkenbare signatuur. Bij ‘oud gereedschap’ denken we aan iets als en roestige waterpomptang, maar hier ondergaat het woordje ‘oud’ een personificatie tijdens het lezen van het tweede deel van de titel: van slijtage-oud naar menselijk oud. De 1-3-2-1-opeenvolging van lettergreepaantallen versterkt de titel.

33. Ton Rozeman, ‘Intiemer dan seks’ 2001

Hoe kun je dichter op iemands huid zitten dan bij de daad? Door via fictie de wereld van gevoelens en gedachten te betreden. Elk verhaal is intiemer dan seks. Maar alleen Rozeman kwam op het idee om dat gegeven voor een titel te gebruiken.

32. Herman Brusselmans, ‘De qualastofont’

Bij tv-optredens krijgt Brusselmans vroeg of laat het publiek op zijn hand door het woord ‘beffen’ in de mond te nemen. Ook veel van zijn titels lijken op een iets te makkelijke lach te mikken, zoals ‘De dollartekens in de ogen van moeder Theresa’, ‘Watervrees tijdens een verdrinking’ en ‘Ik ben rijk en beroemd en ik heb nekpijn’. Maar ‘qualastofont’ is een nonsenswoord van internationale klasse.

31. Monica Wesseling, ‘Waarom krijgt een specht geen koppijn?’ (2013)

Vroeger heetten natuurgidsen iets als‘Wat vind ik in sloot en plas?’ (Prud’homme van Reine) of ‘Wat vliegt daar?’ (Barthel). Maar in deze tijden van betegelde tuinen is de natuur alleen nog aantrekkelijk wanneer je er entertainment van maakt. Wesseling slaat geen wurgslang om haar nek, maar stelt een vraag.

30. Johnny van Doorn, ‘Mijn kleine hersentjes’ (1972)

De verkleinvorm kan hier tenminste vier verschillende betekenissen geven, maar vooral die van vertederende bescheidenheid.

29. Theo Kars, ‘De eerste trein na half zes’ (1975)

De filmtitel ‘Le Dernier Métro’ (Truffaut) zou weleens geïnspireerd kunnen zijn op deze van Theo Kars. Van openbaar vervoer aan de randen van de dienstregeling gaat iets onheilspellends en onbehaaglijks uit. Verklaring van deze titel: de overheid waagt het om de ‘ik’ vroeg op te laten staan om zich te melden op de kazerne voor zijn dienstplicht.

28. Richard Klinkhamer, ‘Woensdag gehaktdag’ (2007)

Voor deze roman over echtelijke onenigheid met dodelijke afloop kon Klinkhamer pas een uitgever vinden nadat nieuwe bewoners van zijn huis bij het tuinieren de resten van zijn vermiste vrouw hadden opgespit. Het zal dus wel niet zo goed geschreven zijn. Maar die titel…

27. Hugo Brandt Corstius, ‘Buikhuisen dom én slecht’ (1978)

Hugo Brandt Corstius was niet de man van de nuance, het zich inleven in andere standpunten of van subtiele stijlmiddelen (tenzij het om anagrammen of palindromen ging). Blijft over een directe stijl en de linkse directe die deze titel uitdeelde, maakte van een wetenschapper een antiquair en leidde tot een jarenlange achterstand bij het criminologisch onderzoek.

26 Willem die Madocke maecte, ‘Madoc’ (ca. 1250?)

Er zijn ontelbaar veel boeken waarvan alleen nog maar de titel bekend is. Als een glimlach zonder kat. Van die titels spreekt ‘Madoc’ het meest tot de verbeelding. Doordat hij kort en uniek is, werkt hij als een merknaam. Het zou me niets verbazen wanneer Arthur Japin onder die naam een middeleeuwse legende bij elkaar fantaseert of wanneer Steven de Jong een film zou maken waarin een jonge studente in een Duitse kloosterbibliotheek een manuscript van Madoc ontdekt en bij het lezen achter een acht eeuwenoud geheim komt. Iets wat beter verborgen had kunnen blijven.

25. Yvonne Keuls, ‘Het verrotte leven van Floortje Bloem’ (1982)

We hebben in het Nederlandse taalgebied geen personagenaambedenker van het kaliber Dickens, maar dat wil niet zeggen dat er geen goede, sprekende personagenamen worden bedacht. Wammes Waggel, Joris Ockeloen, Sara Burgerhart, Tante Pollewop, Dikkie Dik, Jan Salie, Grimbeert, Robertus Nurks, professor Nummedal en vele anderen vormen een pantheon waar Floortje Bloem een grote troon bezet.

24. Guus Kuijer, ‘Krassen in het tafelblad’

De mooiste kinderboekentitels van Guus Kuijer zijn een beetje ouwelijk. Het zouden romantitels kunnen zijn. ‘Krassen in het tafelblad’ is hetzelfde als ‘Ik ben lekker stout’, maar dan vervat in beeldspraak. Kinderen snappen dat misschien niet, maar voelen het wel aan.

23. (Studio) Willy Vandersteen, ‘De minilotten van Kokonera’

Iedereen heeft weleens schamper gedaan over ‘De malle mergpijp’, ‘De gladde glipper’, ‘Het brommende brons’, ‘De nerveuze Nerviërs’, De toornige tjiftjaf’, ‘De wilde weldoener’, ‘De rosse reus’, ‘De vinnige viking’ en al die andere gemakzuchtig allitererende titels van de Suske en Wiskereeks. Maar Vandersteen en zijn studio hebben ook buitengewoon goede titels geproduceerd, waaronder ‘De poenschepper’, ‘De stoute steenezel’ en ‘De klankentapper’. Op ‘De minilotten van Kokonera’ zou Jonathan Swift jaloers zijn geworden.

22. Kees van Kooten en Wim de Bie, ‘Bescheurkalender’

Het bekende humoristenduo grossierde in nieuwe woorden en Van Kooten deed dat ook in zijn individuele werk. De twee gebruikten allerlei woordvormingsprocedés, zoals herinterpretatie (‘Keek op de Week’), woordsoortverwisseling (‘Het lachste van Van Kooten en de Bie’), affigering (het antidepressivum ‘Primadal’), verkorting (‘Koot graaft zich autobio’) en palindroom (‘Levensnevel’). ‘Bescheurkalender’ is een gewone samenstelling (‘bescheuren’ + ‘kalender’) die je ook kunt interpreteren als een soort porte-manteauwoord (‘bescheuren’ + ‘scheurkalender – ‘scheur’). En ja, een scheurkalender is een boek.

21. Herman Finkers, ‘De cursus Omgaan met teleurstellingen gaat wederom niet door’ (2012)

Een grap zoals je die verwacht van de stoplichtspotter uit Almelo.

20. Joost de Klerk, ‘De platwormen vervelen zich’ (1974)

Dit boek gaat over het feit dat mensen precies als dieren zijn en de titel draait dat op een heerlijke manier om.

19. Ward Ruyslinck, ‘De ontaarde slapers’ (1957)

Een prikkelend cryptische titel, want hoe kun je nou ontaarden terwijl je slaapt?! Ruyslincks bibliografie biedt meer moois: o.a. ‘Het ledikant van Lady Cant’, ‘Wurgtechnieken’ en ‘De madonna met de buil’.

18. Tommy Wieringa, ‘Joe Speedboot’ (2005)

Thematisch het Nederlandse antwoord op ‘A Street Car Named Desire’ (Williams) en ‘Budgie the Little Helicopter’ (Ferguson). Mooi contrast tussen de ‘gewone man’-naam ‘Joe’ (‘Joop’) en de speedboot als symbool van pronkzuchtig, zinloos en opdringerig luxevermaak.

17. Kamagurka en Herr Seele, ‘De Tintelende Titel’ (1982)

De herkenbare titels van de Suske en Wiske-albums zijn vaak geparodieerd, o.a. door ‘Silly Wandelpeen’ met ‘De glunderende gluurder’ en Jean-Pierre van Rossem en Erik Meynen met ‘De poenpakker’. De ultieme navolging is ‘De tintelende titel’, het eerste deel van de avonturen van Cowboy Henk. Hierna volgden nog onder meer ‘Het geroken oor’ en ‘Cowboy Henk in de Benelux’. Titels van Kamagurka ruiken altijd naar onzin.

16. A. den Doolaard, ‘Het land achter Gods rug’ (1956)

Indirecte omschrijvingen met kleurrijke beeldspraak gebruiken we vooral voor taboeonderwerpen zoals de dood en toiletbezoek (‘een tuin op je buik krijgen’, ‘even de wc-eend voeren’). Dat ze ook poëtische mogelijkheden bieden, bewezen de Noordse skalden met hun ‘kenningen’ (bijv. ‘de arend voeren’ voor ‘doden’). Den Doolaards titel is voer voor titelkundigen.

15. Francine Oomen, ‘Hoe overleef ik mezelf?’ (2002)

Het woord ‘overleven’ is in een paar decennia afgegleden. Ik neem aan in analogie met ‘survival-trainingen’, die populair werden als bedrijfsuitje en dus aangepast moesten worden aan de niet al te fitte kantoorslaven. Daardoor werden de kleinste moeilijkheden een zaak van overleven en ontstond de mogelijkheid om jezelf te overleven. Schrijvers lijken een extra zintuig voor dit soort taalontwikkelingen te hebben.

14. Harry Mulisch, ‘Voer voor psychologen’

Wanneer je wilt dat een door jou verzonnen uitdrukking viraal gaat, werkt een stapeling van stijlfiguren het beste: klankeffecten, beeldspraak en spel met het informele register. Daaraan danken we gevleugelde woorden als ‘penspiano’, ‘campingsmoking’ en ‘sleurhut’. ‘Voer voor psychologen’ is ook zo’n stapeling. De titel werd al snel een begrip.

13. Sjoerd Mulder (Meneer Wateetons), ‘Handboek voor de Vinex-jager’ (2010)

In het algemeen geldt voor titels: hoe korter, hoe beter. Dan moet je dus op zoek gaan naar woorden die stevige associaties oproepen en iets ‘doen’ met elkaar. Zoals ‘Vinex-jager’.

12. Maarten ’t Hart, ‘Stenen voor een ransuil’

Het stimuleert vanzelfsprekend de verkoop wanneer een titel nieuwsgierig maakt naar de inhoud. ‘Stenen voor een ransuil’ heeft de perfecte raadselachtigheid. Dat heeft met de vogelsoort te maken: ‘Stenen voor een koekoek’ en ‘Stenen voor een kwartel’ werken niet, evenmin als ‘Stenen voor een kerkuil’ en ‘Stenen voor een oehoe’.

11. Rudy Kousbroek, ‘De aaibaarheidsfactor’ (1969)

Een nieuw woord kan het denken en discussiëren over een onderwerp veranderen. Kousbroek bedacht de ‘catch-22’ van ons taalgebied. Sinds 1969 praten we anders over dieren en ‘aaibaarheidsfactor’ is als veertiende woord in de dikke Van Dale opgenomen.

10. Jan Cremer, ‘Ik Jan Cremer’ (1964)

In 1961 verscheen ‘Ik, Claudius’. Dat was een nieuwe vertaling van ‘I Claudius’, de fictieve autobiografie van de Romeinse keizer door Robert Graves. Jan Cremer zal hierdoor zijn geïnspireerd en dit leverde hem de perfecte titel op voor zijn moderne schelmenroman, die volgens Andere Tijden een ‘generatiekloof blootlegde’. Dat was ondenkbaar zonder de provocerende titel.

9. Annie M.G. Schmidt, ‘Ik ben lekker stout’ (1955)

Het zou best kunnen dat Jan Cremer ook door ‘Ik ben lekker stout’ is beïnvloed. Met slechts vier woorden is dit de best verwoorde strijdkreet van de golf van bevrijding en individualisme die vanaf de jaren 1950 vanuit de jeugd opkwam. Iedereen die ons gebied de afgelopen halve eeuw leuker heeft gemaakt, is vroeger lekker stout geweest.

8. Willem Frederik Hermans, ‘Mandarijnen op zwavelzuur’

Zonder twijfel was Hermans de beste titelsmid van ‘de grote drie’. Titels als ‘Door gevaarlijke gekken omringd’, ‘Ik draag geen helm met vederdos’, ‘Machines in bikini’ en ‘De schrijfmachine mijmert gekkepraat’ maken van de boekenkast van de Hermansiaan een taalkathedraal, met ‘Mandarijnen’ als toprelikwie.

7. Geert Mak, ‘Hoe God verdween uit Jorwerd’ (1996)

Geert Mak haalt al decennia de bestsellerlijsten, maar is wat betreft zijn titels een one-hit-wonder. Hij had zijn boek ‘Over de ontkerkelijking in een Fries dorp’ kunnen noemen, maar zei hetzelfde met een metoniem, klankherhaling, regelmatig ritme en als bonus het als de beer in het Tobleronelogo verborgen woordje ‘godver’.

6. Willem Elsschot, ‘Kaas’ (1933)

Kun je met vier letters een dreiging suggereren? Met ‘Jaws’ (1974) bewees Peter Benchley dat het kan, maar Elsschot was hem vier decennia voor.

5 Douwe Draaisma, ‘Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt’ (2001)

Ik moet dit snel eens lezen, want ik dacht dat het recent boek was, maar het stamt uit 2001. Draaisma wist het moeilijke onderwerp van het biografisch geheugen om te zetten in een vraag waar iedereen het antwoord op wil weten. Een non-fictietitel die je bij de oren naar de boekhandel sleept.

4. Remco Campert, ‘Het leven is vurrukkuluk’ (1961)

Boektitels zijn in principe niet als merk te beschermen. Blijft over het auteursrecht, maar titels zijn hoogstzelden zo origineel dat de schrijver daarmee het alleenrecht kan claimen en exploiteren. Als voorbeeld van die benodigde originaliteit wordt ‘Het leven is vurrukkuluk’ genoemd. Camperts spelling is uniek, opvallend en suggestief. En zonder de spelling zou het een blije fluttitel zijn. Wanneer De Taalstaat of de Onze Taal een bestetitelverkiezing zou organiseren, zou deze op nummer 1 komen.

3. Louis Couperus, ‘Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan…’ (1906)

‘Langs lijnen van geleidelijkheid’ is technisch gesproken beter, omdat je die door de klanken bijna automatisch langgerekt uitspreekt en zo een uitbeelding van geleidelijke lijnen vormt. Bij ‘Van oude menschen’ heeft de meester uit de Surinamestraat twee komma’s en vier puntjes nodig om een vergelijkbaar effect te krijgen. Bijna niemand leest het boek meer, zelfs niet in hertaling, maar iedereen kent deze titel.

2. Frederik van Eeden, ‘Van de koele meren des doods’ (1900)

Van Eeden gebruikt twee eenvoudige trucs: de dood is voor ieder mens een groot onderwerp en landschapswoorden roepen gemakkelijk beelden en sfeer op. Het briljante zit hier allereerst in het woord ‘koel’. Het schept afstand doordat je water aan je lijf nooit als ‘koel’ ervaart. Dat komt ook door het meervoud ‘meren’; je kunt geen meerdere meren waarnemen dan van een afstand. Zo ontstaat een Arthuriaans beeld op je netvlies met nevel op het water en eilandjes in het midden.

1. Anton Dautzenberg, ‘Vogels met zwarte poten kun je niet vreten’ (2010)

Ik kan niet goed onderbouwen waarom ik deze titel op de Bohemian Rapsodyplek heb gezet. Hij valt natuurlijk lekker op tussen al die uit lamswol gebreide literaire titels op de uitstaltafels. Hij neemt je ook direct mee in een verhaal. Je gaat je een voorstelling maken van wie zoiets onder welke omstandigheden zou kunnen zeggen. Ten derde is dit een titel die zelfs Adriaan van Dis op een vuile manier zou proberen uit te spreken. Maar maakt dat het de beste titel van vijftien eeuwen Nederlands?

Afbeelding: KB, publiek domein