Bilderdijks vals licht

Door Jos Joosten

Tijdens mijn studie Nederlands in Nijmegen viel de negentiende eeuwse letterkunde een beetje tussen wal en schip. Dat had met personele kwesties vandoen (waarover ik niet uitweid) maar had ook een institutionele oorzaak: Kees Fens’ leeropdracht was ‘Letterkunde van de twintigste eeuw’ en zijn collega proximus Hummelen was specialist in Rederijkerstoneel. En van Sinnekens naar Kloos is, tsja, nogal een stap. Die taakverdeling overigens had een al oudere oorsprong, namelijk toen W.J.M.A. Asselbergs (Anton van Duinkerken) besloot dat die nieuwerwetse literatuur niks voor hem was en hij Meeuwesse in Nijmegen liet benoemen en hem de 20ste eeuw kado deed.

Zo ontstond een periodescheiding die volgens mij uniek was in Nederland. Het resultaat voor mij was dat ik me, toen ik, eenmaal gepromoveerd, ging werken in Utrecht waar wel heel serieus aan de negentiende eeuw werd gedaan, zelfstandig flink moest bijspijkeren. Dat was voorwaar een vrolijk avontuur.

Eén van de leuke dingen vond ik de poëzie die in Nijmegen altijd buiten mijn blikveld was gebleven (ook poëzie-analyse ging over de 20ste eeuw). Kluiven deed men bij Fens aan Vestdijk of lucebert (of Hendrik de Vries, maar dat bleek een vergissing). Mijn 19e eeuwse ontdekkingsreis leverde me een kleine fascinatie op voor bijvoorbeeld dit gedicht van Bilderdijk, een combinatie van leerdicht en poëtische ambachtelijkheid. Ik vermoed dat beide facetten de oortjes van Fens niet rood hadden gekregen, maar ik vind het fraai hoe je hier door analyse een fraaie constructie kan blootleggen.

Je moet er even voor gaan zitten, maar het is straks kerstavond in lockdown, dus we hebben ook volop tijd. En wat is in deze periode mooier dan een gedicht over licht? Ik heb het over een van Bilderdijks minder bekende gedichten, ‘De verlichtingfabriek dezer eeuw’ uit 1825.

‘Ik ben het licht der wareld.’
JOANN. VIII, 12.

Wat schemering van wemelende lampen!
Waar ben ik hier? Wat onderaardsche kluis,
Van stank vervuld der smeer- en oliedampen,
En brabbeltaal van twist- en moordgedruisch!
Is dit het Land, dat (in de heldre stralen,
Den zuivren glans der Euangeliezon,)
Van ’t Bygeloof zoo blij mocht ademhalen
Als ’t morgenlicht der blijder eeuw begon?
Waar is de wind des Heilgeests die ’t doorzweefde,
En ’t hijgend hart verfrischten adem schonk,
Als ‘t zwak gemoed in Hemelzucht herleefde,
En zielevreugd uit dankende oogen blonk?
Rampzalige, in dien poel gedoemd te stikken,
Waar krankte en dood u afschijnt van ’t gelaat,
Geen Lentelucht uw boezems mag verkwikken,
Geen daglicht voor u op- of ondergaat!
Breekt, breekt van uit die graf-, die doodsgewelven,
Bedwelmingkracht en gruwelvolle Hel:
Gevoelt voor ’t minst, keert weder tot u-zelven,
En gaapt niet naar ’t bedrieglijk guichelspel.
Gods adem blaast rondom u; hoort dien ruischen,
En bonst de deur van dezen kerker los,
En ’t vrije bloed zal door uwe aadren bruischen
En ’t aangezicht weêr sieren met zijn blos.
Gods schepping zal voor uw gezicht herleven,
En de aard haar groen vernieuwen voor uw voet,
De levenswel uw borst verversching geven,
Voor drabbig vocht, met moddrig slijk doorwroet.
Dooft uit dien schijn van Filozoofsche vonden,
Neemt Hemellicht en zuivre waarheid aan;
Of -, van de Hel met open muil verslonden,
Vervloekt u-zelv’ die dwelmziek wilt vergaan!

Op het eerste gezicht lijkt dit niet meer dan een wat weerbarstige homp vroeg-negentiende-eeuws Nederlands, maar zodra je er een thematisch draadje uittrekt, valt direct al een basismotief op zijn plek. Het dragende begrip is dan ‘licht’. Dat begint natuurlijk al bij de titel, waarbij je overigens bij de ‘verlichtingsfabriek’ niet moet denken aan een gloeilampenfabriek in het Zuiden des Lands, maar eerder aan iets als makers, producenten van de Verlichtingsideeën.

Daarmee zitten we meteen middenin het woordspel dat Bilderdijk speelt met ons speelt: hij zet zich af tegen de Verlichtingsidealen en plaatst daar, bij monde van het (fameuze) motto uit het Johannes-evangelie het ‘ware’ licht tegenover: Jezus Christus.

Dat is de vondst in het hele gedicht: het licht komt niet, al zou het woord dat misschien doen vermoeden, van de Verlichting, maar van het ware Licht, Jesus Christus. Veel heil verwacht Bilderdijk daarbij van de (nog tamelijk nieuwe) negentiende eeuw, toen ‘het morgenlicht der blijder eeuw begon’. Daarmee staat hij opmerkelijk haaks op zijn leerling Da Costa die pas twee jaar daarvoor nog zijn geruchtmakende Bezwaren tegen den geest der Eeuw publiceerde, een superieur schotschrift dat met uitgesproken verlichtingsstrategieën en romantisch elan de onchristelijke maatschappelijke werkelijkheid in diezelfde eeuw te lijf gaat.

Met titel en motto zijn de twee krachtlijnen uitgezet. Als je het semantisch veld ‘licht’ volgt, wordt die lijn duidelijk, er staat ‘schemering’ tegenover ‘lampen’, de onderaardsche ‘kluis’ (het hol, denk aan een kluizenaar) is donker en staat tegenover de ‘heldre stralen der Euangeliezon’; het land werd daardoor van het ‘Bijgeloof’ gered, zijnde (opnieuw) de Verlichting. Deze tegenstelling buit Bilderdijk tot aan het einde uit, waar ‘schijn van Filozoofische vonden’ (‘schijn’ natuurlijk fraai ambigu) tegenover ‘Hemellicht’ (en ‘zuivre waarheid’!) staat.

Minder prominent maar toch duidelijk zijn andere antagonistische begrippenparen: wind/adem versus bedomptheid (waarbij er bij die ‘wind’ en ‘adem’ allicht impliciete referenties zijn naar de (heilige) geest); onder (de kerker) versus boven (vrijheid) of ‘drabbig vocht’ versus ‘levenswel’ (bron van het leven).

Ik heb een tel overwogen of door dit hele gedicht niet (ook) de vier elementen spelen, maar helemaal hard maken kan ik dat niet. Misschien verder zoeken? Duidelijk is in elk geval waar Bilderdijk het zoekt: in het hemellicht vind je de zuivere waarheid.