‘Ze verveelden my, vooral de vrouw’

Multatuli, de donkere kant belicht

Door Chris van de Ven

Multatuli had veel kanten. Atte Jongstra typeerde hem waarschijnlijk het best: Kriststalman. Marc van Oostendorp (Neerlandistiek, 12-11-2020) is met name geïnteresseerd in de donkere kanten van het kristal. En ja, die zijn ook, naast al die andere facetten van Multatuli, zeer interessant. Voor mij vallen Multatuli’s werk, zijn gedachtegoed én zijn leven samen. Dat velen, zeker in zijn eigen tijd, Multatuli’s leven uit de pas vonden lopen met wat hij voorstond, kan ik begrijpen, maar interesseert mij minder. Voor mij maakt vooral zijn gedachtegoed, en hoe wonderbaarlijk meesterlijk Multatuli dat verwoordde, hem geniaal. Donkere kanten van genieën, maar ook van u en mij, blijven vaak verborgen voor de buitenwereld. We kijken wel uit!

Multatuli niet. Als hij ergens de schijnwerpers op zette, dan is het wel op zijn donkere kanten. Al in de eerste brieven vinden we dat terug. ‘Wil je dat ik je bedrieg of bedroef,’ schreef hij als jongeling aan zijn vriendin Tine. Dat hij het niet bij één vrouw zou laten, was hem al wel vroeg duidelijk. Hij was te hartstochtelijk, ‘te Italiaansch’. Dat hij ongemanierd kon zijn voor zijn gasten beschrijft hij kostelijk in een brief. Hij heeft een logerend echtpaar de deur gewezen: ’Ze verveelden my, vooral de vrouw. Dit was reeds lang ’t geval en ik heb de fout begaan hun of hem of haar dit niet terstond te zeggen. In haar geschryf aan Mimi bleek me dat ze eigenwys, betweterig, aanmanend, bemoeiziek was, en ik had haar ronduit moeten schryven of laten schryven dat ook ik al die eigenschappen bezat en ze dus niet kon dulden in ’n ander.’

In Multatuli verknipt (de titel zinspeelt er ook al een beetje op) spaar ik hem niet. Een heel hoofdstuk is er ingeruimd voor zijn tegenstanders en een ander voor zijn – prachtig Nederlands woord- larmoyant klagen. Zijn omgang met de vele vrouwen, zijn absurd doorgevoerde goedgevigheid, de chronische verongelijktheid waaraan hij tenslotte onderdoor gaat. Wie gelooft er nu echt het casino te verslaan? Multatuli kende zichzelf en ik open het boek dan ook met het fragment: ‘Ik wou myzelf gaarne eens ontmoeten, om te weten hoe ik my beviel. Maar ‘k moet goed gehumeurd wezen dien dag, want ik hou niet van onaangenaamheden.’ Natuurlijk is zijn beschuldiging van zoon Edu op de moord van Marius van de Bogaardt haast ongeloofwaardig. Dat doe je toch niet! En ja, we moeten eens verder uitzoeken hoe het zat met Si Oepi Keteh. Was het een njai of volgens het Sumatraans recht zijn eerste vrouw’? (Ik denk het laatste.) Ze was inderdaad dertien. Adinda was twaalf en zou drie jaar wachten om te trouwen met Saïdjah.

Multatuli was een open boek. Ik pluk nog een paar voorbeelden uit Multatuli verknipt.

Aan broer Pieter schreef hij: ‘Ik ben altijd door (dit is nu eenmaal mijn gestel) zeer zenuwachtig. Ditmaal echter scheen zich dit tot eene zoo verhoogde prikkelbaarheid te hebben opgevoerd dat er iets meer aan moest gedaan worden dan water drinken.’

In een brief aan de ‘kromme kreupele aamborstige’ Hendrik Huisman, die van Multatuli regelmatig geld kreeg, schreef hij, nadat diens onderkomen in vlammen was opgegaan: ‘Waarde Huisman, het verbranden van uw boêltje is eigenlijk zoo erg niet als de tegenspoedjes die ik sedert 2 maanden heb. Er zijn namelijk voordrachten uit- of afgesteld waardoor verwachte inkomsten uitblijven.’ En al bedoelt Multatuli waarschijnlijk dat hij nu dus Huisman in diens ellende niet kan bijstaan, vrolijk word je er niet van als je een dergelijk schrijven ontvangt en de rook nog in je kleren zit.

Gouverneur Generaal Van Twist laat hij weten; ‘Ik heb vele fouten, Excellentie, – ik heb een vurig gestel dat mij dikwerf ten booze drijft, ik heb vele inwendige vijanden die ik niet altijd overwon’.

Multatuli kent zichzelf en verontschuldigt zich bij taalkundige L. te Winkel met de woorden: ‘Daar ik U zoo goed en vriendelyk vond, sneed het my door de ziel, dat ik gefulmineerd heb op uw woordenboek. Ziet ge, in oogenblikken van opwekking ben ik verwaand, en meen alles beter te weten, en dan wordt ik driftig tegen ieder die my (genie, d.i.: een professer zonder tractement) wil vertellen hoe ik spellen moet.’

Bij Multatuli weten we hoe hij er zelf over dacht. In ‘Het Joodse petje’ spreekt hij over zijn ‘hoogmoed op stelten’, en elders, ‘Alsof ik geroepen was de wereld te hervormen. Dat die hoogmoed ’n fout was – o, de ondervinding heeft het me wel geleerd! Maar ik meen dat er leelyker fouten zyn.’

Over zijn nichtje Sietske schrijft hij aan zijn vrouw Tine, ‘Ik voel mij door het vurig gestel van Siet zeer aangetrokken want, noch voor haar, noch voor mijzelf, zoek ik deugd in flaauwheid van temperament’ en ‘Je bent niet wellustig, en kunt dus niet geheel indringen in de positie van anderen die ’t wel zijn. Weet je wel dat zulke stumperts dikwijls geheele nachten doorbrengen in razende begeerte?’

Misschien is wel zijn grote verdienste: hij deelde zijn duistere kanten met zijn publiek. Multatuli verknipt staat er vol mee!