Top 40 van de Gouden Eeuw – 24a

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Sarabande Pinel

Deze dansante melodie, die boven de liedjes vaak wordt aangeduid als Serbande, was populair in de Nederlanden vanaf 1640 tot het eind van de zeventiende eeuw. De componist is de Franse luitist Germain Pinel (ca. 1600-1661), leraar van de jonge prins Louis, de latere Zonnekoning Lodewijk XIV. De tekst is een kerstliedje, met als refrein telkens de vraag waarom het kleine kind Jezus de mens liefheeft, die hem niet als vriend verdient. In het laatste couplet klinkt het antwoord: het kind is zelf de liefde.

Tweede Kers-Liedt. Stemme: Alst begint.

3. Vogelkens, die met soete keelen,
Den Hemel, en de lucht verciert:
Viskens die op het water speelen,
Beesjens, en allerley gediert:
Komt, looft dit Kint, dat aldus mint
Den mensch, die so een vrient noyt heeft verdient:
Het welck nouw, in dese kouw,
Wouw zijn geboren van een Maget-vrouw.

4. Harderkens slecht, oprecht van sinnen,
Maeckt dat ghy ons dit woordt uytleght;
Waterkens wilt doch eens beginnen,
Windekens maeckt dat ghy’t ons seght:
Waerom dit Kint aldus bemint
De mensch, dien soo een vrient niet heeft verdient,
Waerom het nouw, in dese kouw,
Wouw zijn geboren van een Maget-vrouw?

5. Kint! och of ghy ons selfs woudt seggen,
Waerom dat ghy den mensch dus vrijdt;
Hoe soudt ghy ’t duydlijcker uytleggen?
Als om dat ghy de liefde zijt.
Daerom, ô Kindt, is ’t dat ghy mindt
De mensch, die so een vrient niet heeft verdient,
Daerom is ’t nouw, dat gh’ in dese kouw,
Wouw zijn gebooren van een Maget-vrouw!

wellustevreugde
besteetaangesteld
slechteenvoudige
vrijdtverlost

Tekst uit: Christianus Vermeulen, ‘t Ronde jaer, of Den Schat der Geestelijcke Lofsangen, Gemaeckt op elken Sonnendagh van ‘t geheele ront-lopppende Jaer. Deel 1, 5e druk (Antwerpen: Cornelis Woons, 1660), p. 149-150. Transcriptie dbnl: https://www.dbnl.org/tekst/verm047rond02_01/verm047rond02_01_0106.php#verm047rond02_0103
Melodie uit: ‘t Amsteldams Minne-Beeckie, Op nieuws bestroomt Met verscheyde Minne-deuntjes, en Nieuwe Ghesangen (Amsterdam: Paulus Matthysz. voor Joost Hartgers, 1645), p.152-153 https://www.dbnl.org/tekst/_ams015amst05_01/_ams015amst05_01_0055.php#_ams015amst05_0056