Losgeraakte stukjes koraal – over een koraalrif van Reynaertinterpretaties

Litho van B. Wierink in Stijn Streuvels, Reinaert de Vos (Amsterdam, 1910)

Door Jan de Putter

Op mijn boekenkast staat een overgeërfd stukje koraal. Door een artikel van Frits van Oostrom in de laatste aflevering van Tiecelijn, begrijp ik nu dat dit stukje koraal symbool staat voor een grote afdeling Reynaertliteratuur in die boekenkast. Het wonderbaarlijke koraalrif is gevormd door alle onderzoekers die hun ‘steentje’ bijdroegen aan het onderzoek. ‘Aan de Reynaert is inmiddels een koraalrif vastgegroeid van interpretaties’ (p. 17). Van Oostrom vindt dit grillige rif zeer intrigerend.

De vergelijking met een koraalrif is treffend gevonden. Van tijd tot tijd proberen onderzoekers er een stukje af te breken. Hellinga verwoestte het door Muller opgetrokken bouwwerk waarin de Reynaert gepresenteerd werd als het werk van twee of zelfs meerdere auteurs. Van Oostrom zelf verzette zich tegen het vastgeroeste idee dat de Reynaert bestemd was voor de burgerij en zelf heb ik geprobeerd het slot op een andere manier te lezen. Het doet me dan ook deugd dat Van Oostrom aankondigt aandacht te zullen besteden aan het ‘– voor [hem] nog altijd problematische – slotvers over de vrede die de dieren sluiten rondom Firapeel’ (p.12). “Ende maecten pays van allen dinghen” (3469). Ard Posthuma zet in zijn prachtige berijmde vertaling achter dit vers een vraagteken, waarmee hij een zelfde soort twijfel uitdrukt als Van Oostrom. “En alles was weer pays en vree?” Is er wel vrede in de dierenwereld? Zo geformuleerd is het laatste vers inderdaad problematisch. Ten onrechte denk ik, want het begrip ‘pays’ betekende in de middeleeuwen meestal iets anders dan wat wij er nu onder verstaan. De ‘pays’ was het verrassende antwoord van Firapeel op Reynaerts list om het vege lijf te redden. Zoals in veel Franse Reynaertverhalen wordt ook in dit verhaal aan het einde de bedrieger bedrogen.

Vete

Reynaert had de machtige baronnen Bruun en Isegrim ervan vals beschuldigd deelgenomen te hebben aan een samenzwering tegen de koning Nobel. De ‘boetvaardige’ Reynaert zette de koning aan de machtige baronnen te stropen om van hun vel schoenen en een pelgrimstas voor hem te maken. Zo verloor de koning zijn ‘vrienden’, de betekenis komt hier dicht bij ‘bondgenoten’. Toen Reynaerts bedrog aan het licht kwam, besefte koning Nobel dat zijn gedrag de troon zou doen wankelen. Koning Nobels dreigde zijn eer en leven te verliezen in de vete die Bruun en Isegrim met hun familie tegen hem zouden voeren, waarbij de andere dieren die Reynaert geloofden onvermijdelijk betrokken zouden worden. De chaos die dan in het rijk zou ontstaan, gaf aan Reynaert de gelegenheid te ontsnappen aan de wraak van de koning. De dichter kondigde met de nodige nadruk dit al eerder in het verhaal aan:

Ende hi [=Reynaert], buten haerre sculde,
Brune ende Ysingrijn beede
Up hief in groter onghereede
Ende in veeten ende in ongheval
Jeghen den coninc bringhen sal. (2168-2172)

Dat nachtmerriescenario stond dichter bij de middeleeuwse werkelijkheid dan we ons nu realiseren, denk bijvoorbeeld maar eens aan de vete die Gijsbrecht van Amstel en zijn ‘vrienden’ voerden tegen de Hollandse graaf Floris V en die de graaf in 1296 het leven kostte. In de dertiende eeuw beschikte de vorst beslist nog niet over het geweldsmonopolie.

De bemiddelaaar

Firapeel wierp zich op als bemiddelaar en verzoende de koning met de mishandelde baronnen. Dat was geen vrede die in de moderne abstracte betekenis van het woord voor alle dieren van kracht was, de verzoening regelde alleen de concrete verhouding tussen de koning en twee van zijn baronnen. Het onderwerp van de laatste zin ‘si’ verwijst alleen naar Bruun en Isegrim die naar de koning gaan. Meer in die woorden lezen, maakt de weg vrij voor overinterpretatie.

Als zoen stelde Firapeel voor om de huid van Belijn als vergoeding aan Bruun en Isegrim aan te bieden voor de verwondingen die ze door toedoen van de koning hadden opgelopen. Dat kon omdat Belijn zich een onwaardige priester had getoond door het sacrament toe te dienen aan de geëxcommuniceerde Reynaert. Van een priester werd verwacht dat hij het sacrament met zijn eigen leven verdedigde (link, p. 296). Moderne onderzoekers hebben de uitlevering van Belijn door koning Nobel geïnterpreteerd als het wijken van recht voor macht, maar dat lijkt mij – en– te veel vanuit moderne opvattingen gedacht. Ook Jef Janssens onderschrijft dat middeleeuwse rechtsopvattingen haaks stonden op de huidige en het recht op wraak erkenden. De wraak op de onwaardige priester was terecht. Er is dus reden om te geloven dat de Firapeel de eer van koning Nobel redde.

Middeleeuwse conflictbeheersing

Conflictbeheersing verliep in de Middeleeuwen door het vrijwel ontbreken van vorstelijk geweldsmonopolie echter anders dan tegenwoordig. Het ontbrak de overheid aan machtsmiddelen om misdaden van de adel te bestraffen. Het enige wat binnen het machtsbereik van de vorst lag was jaarlijks voorafgaand aan de hofdag een ‘vrede’ af te kondigen, een tijdelijk verbod op vetevoering dat in het Frans trêve en het Latijn ‘treuga’ genoemd werd, waarna hij op de hofdag poogde vetevoerende partijen met elkaar te verzoenen, ‘pays’ te maken. Deze bemiddeling was onmogelijk wanneer de vorst zelf verwikkeld was in een vete met machtige edellieden. In het midden van de dertiende eeuw is deze gang van zaken goed gedocumenteerd door de Keuren van Zeeland, een gebied dat overigens Vlaams recht volgde en in de dertiende eeuw dreigde te vervallen tot anarchie door conflicten tussen de Hollandse vorst en de machtige Zeeuwse adel. Dezelfde gang van zaken zien we in de twaalfde en dertiende eeuw in heel Europa.

In Féodalités 888-1180, het door Florian Mazel geschreven briljante tweede deel in de recente Histoire de France, staat hij uitgebreid stil bij de Roman de Renart . Hij bespreekt deze verhalencyclus als het voorbeeld van een tekstcomplex die middeleeuwse conflictbeheersing thematiseert. (p. 675-678). Net als in het Franse voorbeeld had koning Nobel ook in de Reynaert voorafgaand aan de hofdag een ‘vrede’ geboden en werd er door de koning en de andere dieren een weg gezocht om de vos zich te laten verzoenen met zijn slachtoffers. Dat het bij de door Nobel afgekondigde ‘vrede’ gaat om een verbod op wapengeweld blijkt uit de Latijnse vertaling van het gedicht uit de dertiende eeuw. In de Reynardus Vulpes is ‘vrede’ consequent vertaald met ‘treuga’ (link, noot 40). De juridische verwikkelingen in het Vlaamse gedicht zijn nog gecompliceerder dan in het Franse voorbeeld. De koning raakte ook zelf betrokken bij de vete tussen Reynaert en Nobels baronnen Bruun en Isegrim door geloof te hechten aan het leugenverhaal over een samenzwering. Door de bemiddeling van Firapeel werd de vriendschap tussen de koning en zijn baronnen hersteld.

Het karakter van de dieren

Een positief einde sluit ook aan bij de middeleeuwse opvattingen over hoe het karakter van dieren zich verhield tot dat van mensen. In de proloog van de Esopet is te lezen dat mensen net als (wilde) dieren de mensen ‘fel’ op elkaar zijn, omdat ze elkaar voortdurend bedriegen. In één mens schuilt echter meer boosheid dan in honderd dieren. De betekenis van ‘fel’ is niet boosaardig, maar duidt veeleer op wraakzuchtig, onbarmhartig, onhoofs gedrag, zoals we onder meer kunnen afleiden uit Maerlants beschrijving van de vogel kym. Aan die vogel moeten edellieden een voorbeeld nemen. Ook uit het slot van de Reynaert blijkt dat dieren op de keper beschouwd vaak minder ‘fel’ dan mensen zijn.

Conclusie

Het slotvers van de Reynaert past dus perfect in de twaalfde- en dertiende-eeuwse context van conflictbeheersing. De Reynaert liet het middeleeuwse publiek niet in verwarring achter, zoals neerlandici graag willen geloven, integendeel. Het slot is ondubbelzinnig positief: de relatie tussen de vorst en zijn baronnen is hersteld. Het slotvers van de Reynaert is dus beslist niet problematisch, maar wel als de 3468 verzen daarvoor onvoldoende vergeleken worden met historische bronnen.