Literaire citaten voor de Nederlandse politiek

Door Marita Mathijsen

In Nederlandse politieke toespraken is de literatuur niet een bron waaruit vaak geput wordt. Verleden week wees de hoogleraar Peter Liebregts daarop. Hij vergeleek de martiale uitdrukkingen van Rutte en De Jong bij de coronacrisis met toespraken van Ierse politici, die wél de literatuur gebruiken om de coronamaatregelen te verzachten (de Volkskrant, 30 oktober). Ook Franse politici zijn er meesters in. Macron verwees in zijn toespraak bij de herdenking van de vermoorde leraar Samuel Paty naar de ‘Lettre aux instituteurs et institutrices’ van Jean Jaurès, uit 1888, over de vastberadenheid en tederheid die goede leraren kenmerkt. Maar welke politicus in Nederland kent zijn klassieken zo dat hij zou kunnen verwijzen naar bijvoorbeeld Kees de jongen van Theo Thijssen, als het om leraren gaat, of naar De kleine Johannes, als het om het milieu gaat?

Of zou het misschien aan de Nederlandse literatuur liggen dat er geen citeerbare citaten zijn die aangewend kunnen worden door politici? Het zou wellicht een goede investering zijn voor een uitgever om een bundel samen te stellen met kant en klare citaten voor bij verschillende gelegenheden, maar dan zouden er weer Arjan Lubachs opstaan die meteen door zouden hebben dat de tekstschrijver van de premier zijn eruditie uit Het kant-en-klare-citatenboek-voor-toespraken gehaald had.

Toch wil ik wel een pleidooi houden voor meer literatuur in troonredes, in toespraken in de Tweede Kamer en in persconferenties. Er zijn Nederlandse dichters en prozaschrijvers die eigenlijk altijd wel een regel te bieden hebben die makkelijk uit de context te halen is en toch overeind blijft. Van Harry Mulisch, dit jaar tien jaar overleden, is net een aforismenbundel verschenen met sprankelende uitspraken die in allerlei situaties toepasselijk zijn. Bijvoorbeeld deze uit Voer voor psychologen: ‘Iedere mening sleept onmiddellijk haar tegendeel met zich mee’. Of deze: ‘Wie over de dood wil spreken, moet niets zeggen: dan spreekt hij de waarheid’ (Anekdoten rondom de dood). Gerrit Achterberg, J.C. Bloem, Martinus Nijhoff, Peter de Génestet zijn oudere dichters die onuitputtelijk zijn, maar ook bij levende schrijvers, zoals Judith Herzberg, Ellen Deckwitz of Ilja Leonard Pfeiffer zijn prachtige verwoordingen te vinden.

Laten we eens uitgaan van de vier hete hangijzers van dit moment, en daar toepasbare, troost- of hoopgevende citaten van Nederlandse schrijvers bij zoeken. De coronacrisis is natuurlijk het meest schrijnend op dit moment en daarbij zouden mooie troostgevende woorden wel gewenst zijn. Prachtig om mee te beginnen als er weer nieuwe beperkingen aangekondigd worden is een citaat uit het gedicht ‘November’ van J.C. Bloem, hoewel het niet troostend, maar berustend is: ‘Verloren zijn de prille wegen/ Om te ontkomen aan den tijd;/ Altijd november, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd.’ Meer vertroosting geeft deze regel uit ‘Het einde van ’t jaar’: ‘Al wat men leed/ kan men niet weder lijden’. En misschien is het heel rustgevend als Rutte dit in het vooruitzicht stelt: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, alweer van Bloem, uit zijn gedicht ‘Herinnering’ (Verzamelde gedichten).

Kan de dichter ook te hulp schieten bij klimaatproblemen en de verlangens naar comfort enerzijds en anderzijds schone lucht, die vrijwel onverenigbaar zijn? De minister die het niet ziet zitten met nieuwe snelheidsbeperkingen en antistikstofmaatregelen kan de onmisbare Elsschot citeren met: ‘tussen droom en daad/ staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ en voor zichzelf dat aangrijpende, zelden geciteerde vervolg prevelen ‘en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,/ en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat’ (Gedichten). Diezelfde minister zal De kleine Johannes niet durven citeren, en het stuk overslaan waarin Windekind tekeergaat tegen de mensen die ‘vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in plaats. Zij vertrappen de bloemen moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd van de natuur en hun  medeschepselen.’ Dat is misschien meer iets voor Jesse Klaver.

Een derde punt: het gebrekkig functioneren van de overheid, of het nu gaat om de afwezigheid van snelle teststraten of om ten onrechte als frauduleus bestempelde toeslagen voor kindjes in dagverblijven. Compassie met de slachtoffers kan blijken als de verantwoordelijken Hanny Michaelis citeren: ‘Alle eindjes/ aan elkaar geknoopt/ tot een patroon dat zich/ laat leven. Dagenlang/ gaat het goed. En dan/ is het er weer, het gat/ waar alles in verdwijnt’ (Verzamelde gedichten). Maar de overheid zal wel weer excuses zoeken voor haar gebrek aan slagvaardigheid en met Ellen Deckwitz verzuchten: ‘Laat me asjeblieft/door. Laat me nooit/ de waarheid zeggen,/ als ik dat doe komt er een vos in me op/ en je weet hoe vossen zijn die maken meer kapot/ dan ze op kunnen’ (Hogere natuurkunde). Of de boemerang van Peter de Génestet hanteren: ‘Gij, die in alle dingen/ Slechts zonde vindt en schuld…/ Van leelijke gedachten/ Is vast uw ziel vervuld’ (Gedichten).

Voor de koning en zijn Griekse miskleunen kan men terecht bij Gerard Reve: ‘Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al,/ ja ja, kom er eens om,/ Gij weet waarom het is, ik niet./ Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ (Verzamelde gedichten).

Er is ook nog de angst voor terroristische aanslagen. Niemand weet wie de eerste verwoorder was van de regels: ‘Een mens lijdt dikwijls ’t meest/ Door ’t lijden dat hij vreest’. Ferd Grapperhaus zou hiermee de angst kunnen temperen die iedereen voelt die het nieuws nauwgezet volgt. Judith Herzberg varieert daarop: ‘Zo zijn het vaak onze meest eigene gedachten/ de meest nabije, de meest schrijnende,/ die wij door moeten strepen,/ uit moeten krassen.’ (Doen en laten).

Negentiende-eeuwse dichters zijn altijd goed voor opbeuring. Een vooruitziende blik schijnt Nicolaas Beets te hebben in zijn gedicht ‘Opvoeding’: ‘Een dwaas houdt, als besmettingen regeeren,/ Zijn deur en vensters dicht om ze af te weren,/ En (wanende dat hij zijn kroost behoedt)/ Vergiftigt, door vervuilde lucht, hun ’t bloed./ De wijze zorgt voor lucht, geregeld leven,/ Goed voedsel, en een onbezwaard gemoed – / De rest blijft biddende in Gods hand gegeven.’ (Dichtwerken) Toegegeven: met die hand van God zal Rutte alleen de gelovigen in Barneveld en omstreken een plezier doen. Peter de Génestets dichtregels uit Leekedichtjens zijn op alle hedendaagse situaties toepasbaar: ‘Veel is bewezen dat toch in den grond niet waar is,/ En veel is eeuwig waar, ofschoon ’t bewijs niet daar is.’ En dan tenslotte, buiten alle misère om, nog eens Judith Herzberg  met het meest opbeurende gedicht dat ik ken: ‘Mij vrolijkt het/ als bij de boerderij/ waar deze trein/ voorbij rijdt, vijf/ blauwe overalls/ te drogen hangen/ aan een lijn./ Mij vrolijkt ook/ de gans die in een wei/ lijkt te staan peinzen.’ (Het vrolijkt).

Dit artikel verscheen eerder in de Volkskrant (6 november 2020).