Gedicht: Jacob van Lennep • De stervende Heyduk

De stervende Heyduk

‘Daal neder, o arend! Ter dood toe gewond,
Ligt Gabriël Zapol hier neêr op den grond.
’k Heb vaak met het vleesch en het stroomende bloed
Der woeste Pandoeren uw jongen gevoed.
Weldra strekt mijn hart, eens zoo groot, hun tot spijs.
Doch ’k smeek u vooraf om een vriendschapsbewijs.
Ga, breng deze tasch, van patronen ontbloot,
Aan Kolmar, mijn broeder – en wreek hy mijn dood.
Slechts twalef patronen, bevatte die tasch.
Hier liggen ook twalef Pandoeren in ’t gras.
De dertiende, Botzai, die schelm, zonder eer,
Sloop achter my om en hy schoot my ter neêr. –
Dees hoepring met hair, breng hem Klara, mijn bruid:
En treur ze om haar liefste met klaaglijk geluid.’

En de arend bracht Kolmar de ledige tasch,
En vond hem gezeten by kaart en by glas.
En de arend bracht Klara den hoepring met hair,
En vond haar met Botzai voor ’t huwlijksaltaar.

(Uit het Illyrisch.)

Jacob van Lennep (1802-1868)
uit: Gedichten, zoo oude als nieuwe (1851)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.