‘De oude klomp’ en ‘Een valsch kwartje’ (1888)

Omslag van de vijfde druk van Uit het Jonge Leven (circa 1920).

Jeugdverhalen over joden (116)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Pieter Louwerse (1840-1908)
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

Louwerse debuteerde in 1868 als medewerker van de Kinder-Courant. Hij schreef voor tijdschriften als De Kleine Huisvriend, De Kindervriend en Voor ’t Jonge Volkje. Daarnaast publiceerde hij tientallen jeugdboeken en -gedichten.

         Louwerse stond ruim dertig jaar voor de klas. Hij moest het onderwijs verlaten omdat hij steeds dover werd. Daarna leefde hij alleen van zijn pen.

         ‘Als paedagoog en als schrijver voor de jeugd heeft Louwerse geschitterd’, schreef De Tijd in 1908 in zijn necrologie. ‘In beide qualiteiten wist hij zich een naam te verwerven, die in gansch Nederland een goeden klank had.’ Tientallen kranten maakten indertijd melding van zijn overlijden. Daarin werd ook zijn bescheidenheid geprezen. ‘Louwerse is nooit op den voorgrond getreden. Hij wenschte dat niet; hij ging op in zijn arbeid voor het kind, waarvoor hem niets te veel was.’

         De verhalen ‘De oude klomp’ en ‘Een valsch kwartje’, beide met joodse hoofdpersonen, staan in de bundel Uit het Jonge Leven. Die beleefde vijf drukken: in 1888, omstreeks 1891, in 1898, 1917 en omstreeks 1920. Ze verschenen bij J.B. Wolters in Groningen, L.C.G. Malmberg in Nijmegen en bij de Gebroeders Kluitman in Alkmaar. In de samenvatting citeer ik uit de vijfde druk van omstreeks 1920.

‘De oude klomp’

Dit verhaal begint omstreeks 1840 in de achterbuurt van een kustplaats. De twaalfjarige Levie Wehrmayer woont er met zijn ouders en zusjes in een armoedig hofje. Het gezin is aan lager wal geraakt doordat een notaris er met hun geld vandoor is gegaan.

         Levie verdient zijn brood als marskramer: hij verkoopt kleine goederen, zoals lucifers en doosjes schoensmeer.

         Hoewel er in het hofje voornamelijk ‘dronkaards, stroopers, vloekers, leugenaars en lasteraars’ wonen, kijken zij neer op het gezin Wehrmayer – want dat zijn joden. Ze worden voortdurend uitgescholden. Levie wordt ook geregeld mishandeld. ‘Bij de deur stonden drie jongens met valsch lachend gezicht mij op te wachten. Eer ik er aan dacht, hadden twee mij beet en wreef de derde mijn gezicht met een stuk spek in. Toen stak hij mij dat stuk spek in den mond, en daarna liepen ze hard weg onder het geroep van “Spekjood!’’’

         Levie krijgt hulp van de portier van het hofje, de oude Duitse zeeman Maulbeere.

         Op een dag loopt Levie naar de synagoge. Zijn klompen zijn zo versleten dat zijn voeten nat worden. Bij toeval vind hij een zakje met geld. Levie wil het zakje naar de politie brengen, maar buurjongens vallen hem aan. ‘Leelijke spekjood, dat zal niet gebeuren!’

         De beurs blijkt van Maulbeere te zijn. Als dank geeft hij Levie nieuwe klompen. Levie wordt andermaal door buurjongens aangevallen. Zij schelden hem weer uit voor spekjood, een woord dat zes keer in dit verhaal voorkomt.

         Maulbeere besluit nu om Levie nog verder te helpen. ‘Hoor eens, joodje, wij moeten samen wat beginnen.’ Hij leent hem geld en zorgt voor betere handel – van zijn zeereizen heeft hij allerlei interessante snuisterijen bewaard. Ook brengt hij het gezin Wehrmayer onder in een beter huis.

         Binnen een paar jaar weet Levie zijn lening terug te betalen. Hij vertrekt naar Brazilië en vergaart binnen enkele decennia een fortuin als eigenaar van een suikerplantage. Hij keert terug als een rijk man maar als herinnering aan zijn arme jeugd staat er op zijn briefpapier een oude klomp afgebeeld.

‘Een valsch kwartje’

Jacob woont met zijn moeder in een krot in de Jodenbuurt. Hij kan goed leren maar heeft de school moeten verlaten, omdat zijn vader is overleden en zijn moeder ziek is. Jacob verkoopt nu sinaasappels op de markt, vanuit een kruiwagen.

         Op een dag koopt Wehrmayer sinaasappels bij hem. Zonder dat hij daar erg in heeft  betaalt hij met een vals kwartje. Eenmaal thuis geeft Jacob dit kwartje snel aan de huisbaas, om de huur te betalen.

         De huisbaas ziet dat het kwartje, dat glimt van nieuwheid, vals is en doet aangifte bij de politie. Jacob weet Wehrmayer op te sporen, die meegaat naar het politiebureau. Om te testen of Jacob echt eerlijk is, krijgt hij het valse kwartje nogmaals toegespeeld door een agent in burger. De jongen brengt de valse munt meteen naar het bureau.

         Wehrmayer besluit daarop om Jacob en zijn moeder te helpen. De vrouw krijgt medische zorg en een ‘net huisje’. Jacob mag terug naar school, doorloopt moeiteloos het gymnasium en wordt uiteindelijk dokter in de stad waar hij ooit ‘appelsienen’ verkocht. Op de dag dat Jacob tot arts wordt benoemd, vertelt weldoener Wehrmayer hem zijn eigen levensverhaal.

Doelgroep en receptie

‘Louwerse geeft gewoonlijk goede waar. Men verblijde in deze dagen menigen kleine met die frissche lectuur’, aldus het tijdschrift De Wekker in 1888 over drie nieuwe boekjes van Louwerse, waaronder Uit het jonge leven. In 1921 werd dit boekje in een advertentie in de Schager Courant geschikt geacht voor kinderen in de ‘Leeftijd van 5 tot 10 jaar. Ook om voor te lezen.’