De mottenballen van de Maatschappij, deel 2: Johannes Dyserinck, de man van de afgezaagde Nachtwacht

Door Jos Damen

Elke club heeft vergeten hoekjes. Ik loop graag rond in die vergeten hoekjes. Met plezier lees ik boeken van romanciers uit vervlogen tijden, die nu door niemand meer gelezen worden. Ik verslind door iedereen veronachtzaamde dichtbundels uit 1924 en inmiddels bestofte bestsellers van honderd jaar geleden. Een archief met spinrag is een goudmijn. Uiteraard is De Parelduiker mijn favoriete tijdschrift.

Veelschrijverij is geen garantie voor eeuwige roem. Integendeel zelfs, en veelzijdigheid is ook al geen aanbeveling. Johannes Dyserinck is een mooi bewijs. Wie kent hem nog, deze nijvere bij, doopsgezind predikant, ridder in de Orde van de Nederlandse leeuw, Leids eredoctor, tekenaar en criticus? Leest er nog iemand zijn Levens- en karakterschets van Truitje Toussaint (behalve Marita Mathijsen en ik)? Er bladert vast ook niemand meer  door zijn artikelen in De Gids, door zijn boekje over Piet Paaltjens of door Het studentenleven in de literatuur.

Afgezaagd, 23 mei 1715
Gelukkig kent bijna elke Nederlander de conclusies van een van Dyserincks fraaiste stukken, zijn schotschrift-artikel in De Gids uit 1890, waar hij veertig pagina’s lang allerlei theorieën over De Nachtwacht ontkracht, nuanceert of op de schroothoop gooit. Hij dateert de verminking van De Nachtwacht tot op de dag nauwkeurig, op 23 mei 1715. Dat was volgens Dyserinck de dag  dat er in de breedte 13 procent en in de hoogte 10 procent van het topstuk van Rembrandt afgezaagd werd. En passant corrigeert Dyserinck wat namen uit de toeschrijvingen van personen uit het gezelschap van Frans Banning Cocq. Fout tot op de vermelding in de lijst van het schilderij in het Rijksmuseum, meldt hij in 1890. Eigenwijze onderzoekende dilettanten die hun huiswerk gedaan hebben: het blijft heerlijk om te lezen: ¨Onderstelt men nu een oogenblik met den heer Meijer, dat werkelijk in diezelfde dagen ook de ‘Rembrandt’ in diezelfde zaal van den Kloveniersdoelen gehangen had – zou van Dijk daarvan dan hebben kunnen zwijgen en alléén hebben gesproken van een ‘egt Model bij Boendermaker’? Credat Judaeus Apella!¨

Neeskens
Meijer wordt hier afgeserveerd, en Dyserinck kan dat alleen doen omdat hij de archieven wél raadpleegt: hij spit in het Amsterdams Archief door de Resolutieboeken en Besogneboeken tot die hun geheimen aan hem prijsgeven. De Johan Neeskens onder de kunstminnaars gaat altijd door, als een terriër, tot het doelpunt. In een interview in de Haagsche Courant van 27 december 1911, negen maanden voor zijn dood, verklapte Dyserinck zijn werkmethode: ¨Ik begin altoos eerst met alles te verzamelen wat op het leven van dengene, dien ik ga behandelen, betrekking heeft. Dat zijn mijne bouwsteenen. Daarna ga ik aan het lezen. Kijk eens hier, daar heb je nu al de handschriften van de werken van Mevrouw Bosboom-Toussaint.¨  Ik zei het hiervoor al: Dyserinck was een nijvere bij.

Moderne richting
Maar Dyserinck was meer. Hij werd in Haarlem geboren, op 12 maart 1835. Johannes had lust tot tekenen. Dat deed hij, van zijn twaalfde tot zijn zestiende. Vader, architect, vond predikant een beter beroep. Aldus geschiedde, en Dyserinck studeerde theologie in Amsterdam en Leiden. Hij behoorde tot de ¨moderne richting¨, was doopsgezind, en predikte achtereenvolgens in Den Helder, Vlissingen en Rotterdam.  Vanaf 1878 begint Dyserinck over literatuur te schrijven: Vondel, Bellamy en Wolff en Deken. Het is heerlijk om te zien. Eindelijk iemand die uitzoekt waar Deken eindigt en Wolff begint. Pierson, Beets , Verheull, Bosboom-Toussaint, je noemt het en Dyserinck schrijft erover. Een handvol levensberichten voor de Maatschappij completeren de zaak. In 1884, nog geen 50 jaar oud, krijgt Dyserinck een eredoctoraat van de Leidse universiteit. Een opmaat naar hoger honing? Helaas. In 1890 loopt hij een doopsgezind professoraat in Amsterdam mis, maar hij schrijft onverdroten voort.

Gedenktekens
Dyserink wilde de Nederlandse cultuur vieren. Hij zorgde voor gevelstenen, gedenkplaten  en tentoonstellingen ter ere van literatoren: een gevelsteen voor Bellamy in Vlissingen, een fontein voor Wolff en Deken, en voor Piet Paaltjens een bronzen gedenkplaat in Sociëteit Minerva. Het einde is mooi. Zijn doodsbidder J.C. Matthes zegt het fraai in zijn Levensbericht. ¨De onthulling van Toussaint’s borstbeeld te Alkmaar, 15 september 1912, moest helaas zonder hem geschieden, omdat hij toen op zijn ziekbed lag, dat zijn sterfbed zou worden. Maar hij had haar voorbereid.¨

Dit artikel verscheen eerder bij De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

Afbeelding: Johannes Dyserinck (Collectie Zeeuws Archief)