De Joodsche knaap (1792)

Een jonge, arme joodse geitenhoeder – hier opvallend netjes gekleed – deelt zijn karige ontbijt met een grijsaard. Deze christen schuilt in de geitenstal om aan vervolging te ontkomen. Ongesigneerde kopergravure uit De Joodsche knaap (1792).

Jeugdverhalen over joden (117)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Johann Jakob Kämmerer (1754-1798)
Vertaald uit het Duits

Herkomst en drukgeschiedenis

Kämmerer studeerde theologie aan de universiteit van Heidelberg. Na te hebben gewerkt als kapelaan en huisleraar, presenteerde hij zich in publicaties als verlicht katholiek theoloog en pedagoog. Omstreeks 1790 werd hij leraar op een gymnasium in Mannheim. Begin 1791 schreef hij daar De Joodsche knaap.

         In dit boekje keert Kämmerer zich tegen ‘de pest des oproers’ die tijdens de Franse revolutie ook Duitsland infecteerde. Hij houdt zijn jonge lezers voor: ‘Er bestaat geene grooter vrijheid, dan die, welke onder den scepter van eenen goeden en wijzen Vorst genoten wordt.’

            De ironie wil dat Kämmerer, die als theologiestudent al was berispt vanwege ‘ophitsing’, datzelfde jaar naar Straatsburg in Frankrijk vluchtte, waar hij zich aansloot bij de Jakobijnen. Die beweging propageerde onder meer dat opvoeding en scholing in het teken van de revolutie moesten staan en dat het menselijke in plaats van het goddelijke moest worden aanbeden. In dat verband werd Kämmerer in 1794 in een boek voor Nederlandse katholieken getypeerd als ‘een woelgeest’.

            De Joodsche knaap verscheen in maart 1792 bij de Haagse uitgever J.F. Jacobs de Agé en beleefde één druk. Het boek heeft als ondertitel ‘Eene waare geschiedenis’.

Samenvatting

Tijdens de Franse revolutie breken ook in Duitsland opstanden uit. In een Zuid-Duitse stad  verjagen de bewoners ‘met woest geraas’ de plaatselijke vorst. Daarna spreekt ‘een afgeleefde grijsaard’ het volk toe. Hij stelt dat de ‘blinden ijver voor de vrijheid’ de zachtaardige Duitsers tot ‘wreede woestelingen’ maakt.

         Dit neemt men hem niet in dank af. De man wordt uitgemaakt voor verrader en men wil hem naar het schavot leiden. Met hulp van enkele brave burgers weet de naamloze oude man echter te ontkomen. Hij verstopt zich in de geitenstal bij het huis van een jood. Bij verstek veroordeelt men hem ter dood en er wordt een hoge prijs op zijn hoofd gezet. Wie hem onderdak biedt, kan rekenen op ‘verschrikkelijke straffen’.

         Na twee dagen ontdekt ‘een arme Joodsche knaap’ de man in de geitenstal. De ‘braave jongeling’ herkent hem, maar bezweert dat hij liever sterft dan hem te verraden. Hij deelt zijn ‘sober ontbijt’ met de hongerige man en geeft hem water.

         De oude man zegt, met tranen in zijn ogen: ‘God zegene u, voortreffelijke jongeling.’ Hij noemt de hem een voorbeeld voor christenen.

         De ‘edeldenkende Joodsche knaap’ blijft hem net zo lang van zijn eten geven tot de kust veilig is. Troepen van de vorst trekken de stad binnen en herstellen de orde. De man verlaat zijn schuilplaats en zegent de jongen.

         ‘Leer nu uit deze geschiedenis, mijne lieve kleenen’ [kleinen], zo besluit Kämmerer, ‘hoe men zich naar maate zijner kragten op het vlijtigste bestreeven moet, om wel te doen. (…) Ten laatsten behoort u dit verhaal ook aan te spooren, om goede onderdaanen te worden.’

Joden zijn ongelukkiger dan lastdieren

Kämmerer lardeert zijn verhaaltje met enkele algemene beschouwingen over de joden in Duitsland. Die zijn interessanter dan het verhaaltje zelf. Zo stelt hij, nadat hij heeft verteld dat de geitenhoeder zijn brood deelt met de grijsaard: ‘Menig edel hart slaat in den boezem van eenen Jood, en meenig (…) beminnenswaardige ziel strekt tot sieraad van eene Natie [het joodse volk], op welke wij met zo veel verachting nederzien.’

         Later schrijft Kämmerer dat veel Duitsers menen dat ‘het eenig doel der Joden is om den Christen te bedriegen en hem ten ondergang te brengen’. Hij stelt hier tegenover dat ook sommige christenen ‘laaghartige bedriegers van hunne Geloofsgenooten’ zijn. ‘Is het derhalven billijk’, vraagt hij, ‘dat men daarom zodanig eene gansche Natie [alle joden] veracht?’

         Kämmerer is bovendien van mening dat bedrog door joden te verontschuldigen valt. Immers, hun bestaansmiddelen zijn beperkt, zij mogen heel veel beroepen niet uitoefenen. ‘De beroepen, die men hun heeft vrijgegeeven, zijn zeer bepaald, en hun lot is immers veel ongelukkiger dan dat der lastdieren.’

         Interessant is dat de vertaler hier deze voetnoot aan toevoegt: ‘Dit kan in Duitsland plaatshebben, maar hier in Holland is het zeer verschillend.’ Anders gezegd: Nederlandse joden hebben het wat dit betreft beter.

         Kämmerer roept christenen op om joden te tonen dat het christendom een ‘leere der liefde’ is. Als zij dat doen dan zouden de joden ‘zelfs het denkbeeld om ons te bedriegen met afgrijzen en verfoeijing verwerpen’.

Doelgroep en receptie

De Joodsche knaap was volgens de uitgever bestemd ‘voor kinderen van 7 tot 11 jaren’. Het boekje verscheen als vierde deeltje in de zevendelige reeks ‘Kinder-Bibliotheecq’ [sic] en is tweetalig. ‘Dit Werkje is gedrukt in klein formaat op Postpapier, en op de eene pagina Fransch en de andere Hollandsch, tot meerder gemak voor Kinders die zich in het Fransch oeffenen’, aldus de uitgever in een advertentie. Naast oefenstof voor  het Frans waren de ‘vertellingen en historiën’ bedoeld ‘ter Leerzaamheid voor de Jonge Jeugd.’

         Van De Joodsche knaap heb ik geen besprekingen gevonden.