‘De beate mongoloïde glimlach van de wereld’ – deel 1

Door Marc Kregting

Met Dit is geen vrouwenboek. De waarheid achter man-vrouwverschillen in de literatuur bewees Corina Koolen de neerlandistiek een grote dienst. Deze publieksversie van haar proefschrift is toegankelijk geschreven en gaat over een onderwerp dat iedereen aanbelangt. Daarbij pretendeert Koolen niet de waarheid in pacht te hebben. Sterker nog, ze relativeert door hardop na te denken over de systematiek van haar onderzoek en door eigen vooroordelen en voorkeuren te benoemen. Die openheid vergroot niet alleen de betrouwbaarheid van haar uitkomsten, het is een verademing om een vakgenoot geen gekende namen te zien droppen maar te begrijpen dat ze van chicklit houdt. Koolens leestip Marsepeinen vingers door Öznur Karaca ligt bij mij klaar op een stapeltje voor de herfstvakantie.

Vanwege die auteurspresentatie vind ik de ondertitel De waarheid achter man-vrouwverschillen in de literatuur extra grappig. Niemand weet ook wat ‘de literatuur’ is, en eventuele illusies daaromtrent smoort Koolen broodnuchter gaande haar studie. ‘De waarheid’ verwacht ik bovendien veeleer in roddeljournalistiek of in morele exploten. Toch lijkt het begrip me bij Koolen gepast. Haar boek geeft immers harde cijfers, die bij interpretatieve letterkundige studies ontbreken en zo de achilleshiel zijn. Tegelijk zijn cijfers voer voor karikaturen. Veelbesproken, in het vak dan, bleek de kritiek op Koolen door Elma Drayer in de Volkskrant. Deze neerlandica studeerde in een tijd dat Hugo Verdaasdonk er een genoegen in leek te scheppen literatuursociologie, waaronder Koolens onderzoek te situeren valt, een slechte reputatie te bezorgen. Zijn kurkdroge stukken waren razend interessant, maar niet door hun formuleringen, statistieken en humanistische claims.

Drayers aanval leverde vooral medestand voor Koolen op. In geen van de sympathiebetuigingen vond ik echter een verwijzing naar de aanwezigheid van de critica en haar krant in Dit is geen vrouwenboek zelf. Twee jaar voordien waren Drayer en Volkskrant al gebotst tegen Koolens proefschrift Reading beyond the female. Daar doet het slachtoffer in Dit is geen vrouwenboek meer dan eens aangifte van, en betrekt er buitenstaanders bij: ‘Misschien leest u dit boek alleen maar om erover mee te kunnen praten. Of een lekker gemene column in de Volkskrant te publiceren.’ Het relletje behelsde dus de kroniek van een aangekondigd meningsverschil. Misschien past dit evenzeer bij dit boek. Koolen bekent namelijk dat ze het doelbewust niet liet verschijnen bij een huis dat ervaring heeft met proefschriften maar, ‘op basis van intuïtie’, bij HarperCollins. ‘De doorslag’ gaf, zegt ze, dat dit de uitgever van de Bouquetreeks is.

Zulk knipogen geeft Koolen zelfs op de achterflap. Daar paart ze percentages over scheefstand tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs aan een curieuze mening over laatstgenoemden. Zij blijken louter te schrijven over ’persoonlijke wissewasjes’. Dit blijkt een inside joke: een citaat van de jury van de Librisprijs 2007 over de inzendingen van schrijfsters. Destijds is me dat ontgaan, net als de vele keren dat die uitlating sinds 2011 als jij-bak blijkt geconfronteerd met Bernard Dewulf, die toen dezelfde prijs won met een bundel waar het epitheton prachtig bij paste. Koolen memoreert dit tweemaal. Maar zij noch de aanklaagsters die haar voorgingen melden dat in de vijfkoppige jury die Dewulf bekroonde drie vrouwen zaten, een feit dat nochtans Koolens aanname, en volkswijsheid, kracht bijzet dat vrouwen strenger zijn tegenover vrouwen dan tegenover mannen.

Hoempapa

De aantrekkingskracht van Dit is geen vrouwenboek schuilt voor een deel in de miraculeuze methode. Koolen gebruikt computerprogramma’s die gigahoeveelheden teksten kunnen uitvlooien. Eventuele weerstanden tegen die onromantische aanpak snapt ze en ze benadrukt dat objectiviteit nooit is gegarandeerd. Koolen vermeldt niet eens dat er juist grote resultaten zijn bereikt door systematisch scannen van taal op ‘stilistische vingerafdrukken’ – en dat zulk onderzoek de media heeft gehaald en alsnog nut suggereert voor de neerlandistiek die al zo lang naar legitimatie zoekt. Dankzij computers weten we nu bijvoorbeeld wie de auteur van het Wilhelmus (niet) is. Bovendien is het zo mogelijk om eens een prettige vorm van schaalvergroting te beleven, waarbij Koolen naast –‘genomineerde’ en ‘bekroonde’ – literatuur ook chicklit, thrillers en streekromans laat meedoen.

De combinatie van technische efficiency met een breed corpus geeft aan Koolens stijl, die zo niet optimistisch dan minstens goedgeluimd is, een maximaal effect. Een vraag uit haar checklist kan bijvoorbeeld zalig retorisch worden: ‘Is een midlifecrisis bij een man literairder dan de menopauze bij een vrouw?’ Het happy end ontlokt aan Koolen dan weer een hilarische sententie: ‘Ellende is altijd literairder’. Bijkomend voordeel is dat twee standaardverwijten aan literatuurstudie, verblinding door theorie en hineininterpretieren door mislezing, minder makkelijk aan Dit is geen vrouwenboek kunnen worden gemaakt.

Zo schept Koolen extra ruimte en aandacht voor de conclusie, die op zichzelf al ontluisterend is. We denken immers dat de tijd voorbij is van old boys networks die met hun zaakjes mattheuseffecten aanrichten. Voor literatuur is die wens de vader van de gedachte. Het gaat dan wel minder zichtbaar, maar een groep auteurs wordt structureel achtergesteld, gaat gebukt onder stereotyperingen die niet eens worden erkend en bij nader inzien zit die discriminatie in onze taal besloten. Volgens Koolen internaliseren we als lezers (relicten van) autoriteiten, mechanismen en automatismen. We moeten ze bestrijden. Collectief met organisatorische veranderingen en individueel met strenge zelfreflectie. Het is hoe dan ook beschamend dat mannelijke hoofdpersonen lucratiever blijken om genomineerd te raken of een werkbeurs te krijgen. Of dat verzonnen auteursinformatie over een debuterende fictieschrijver met ervaring in andere genres verschillend werd geïnterpreteerd bij een vrouw of man: onervaren dan wel beslagen. Nergens heerst bij mijn weten ‘gendergelijkheid’, maar op een of andere manier hoopte ik dat de literatuurbranche, in de marge waarvan ik me al decennia ophoud, het beter zou doen.

Met andere uitkomsten wist ik dan weer geen raad. De onderzochte schrijfsters besteden in hun teksten meer aandacht aan wat Koolen noemt ‘settelen’ dan hun mannenbroeders doen, bij wie het motief echter wel voorkomt. Hier zijn volgens mij ontwikkelingen over emancipatie verondersteld die in de praktijk verdrietig genoeg zelfs in de beste kringen geen neerslag krijgen. Ook is het duister wat de literaire traditie voor het geslacht van een auteur laat opmaken uit de familieroman. Een officieel lemma geeft dan wel Ina Boudier-Bakkers De klop op de deur als voorbeeld, maar eveneens Louis Couperus’ De boeken der kleine zielen en Gerard Walschaps De familie Roothooft. Evenmin verrast Koolens bevinding dat herenschrijvers in de eenentwintigste eeuw weinig verhalen over militarisme.

Wel was ik van de wap dat de computer op microniveau iets had bevestigd wat een evidentie onder taalkundigen zou zijn: dat schrijfsters vaker persoonlijk voornaamwoorden gebruiken, en schrijvers vaker voorzetsels en telwoorden en lidwoorden. Koolen vermeldt dit meermaals, maar geeft geen voorbeelden van dit bizarre verschil. Zelf weet ik nog steeds niet wat het heeft te betekenen. Zulke ontsteltenis leidde me wel naar passages, die binnen Koolens systematische aanpak details zullen zijn. Woordjes, zinnetjes: zij zijn voor mij literatuur vóór ze een werkelijkheidsbeeld oproepen. Ietwat ongeduldig neem ik dus voor kennisgeving aan dat ‘literaire romans die geschreven zijn door mannen literairder [worden] gevonden dan literaire romans die geschreven zijn door vrouwen’. En dat het testpanel aan boeken een punt kon geven tussen 1 en 7, en bij de hoogst scorende Nederlandstalige roman door vrouwen Margriet de Moor een gemiddelde van 5,9 haalde en bij de mannen Erwin Mortier een 6,6.

Ik wil primaire tekst! Onomstreden literair voor de proeflezers blijkt dan de volgende zin:

‘Terwijl ik het papier met de zwalkende gang van een dronkaard bevlek, mijn extase van inkt, laat zij de dingen achter in hun naakte zijn. Ze haalt de beate mongoloïde glimlach van de wereld naar boven, de grijnzende, nat glanzende zen der stomme objecten, waar ze de namen als kaf [vanaf] blaast.’

Ook wie een gendergap onderzoekt, moet zich bij dit citaat toch even door de ogen wrijven. Hoe kan het torenhoog worden ingeschaald? Dit is toch gewoon kitsch? Wie zijn precies de mensen die hier hun instemming gaven? Voor haar verbluffende nationale lezersonderzoek The Riddle of Literary Quality, dat 14.000 reacties opleverde, positioneerde Koolen haar testpubliek in een overmacht aan vrouwen, veelal van middelbare leeftijd (71%-29%). Maar over haar kleinere vervolgpanels, die bijvoorbeeld het citaat inschaalden, vond ik geen gegevens. Mij zou vooral hun gemiddelde leeftijd benieuwen, gelet op de consensus dat ontlezing onder jongeren zich uit in een ongevoeligheid voor taalregisters – die in dit citaat belachelijk lijken te worden gemaakt. Of ben ik nu arrogant?

Koolen zelf steekt haar liefde voor Renate Dorresteins werk niet onder stoelen of banken, ook nadat het door de panels een knauw gegeven is. Ze zegt daarop dat literaire ervaringen ‘altijd subjectief’ blijven. Dat klopt natuurlijk, maar er bestaat zoiets als intersubjectiviteit, op basis waarvan er over smaak te twisten valt. Moeite heb ik namelijk met het argument waarom Koolens proeflezers het citaat waarderen: dat zogeheten moeilijke taal literair zou zijn. Volgens mij vertolkt zo’n idee zelf een cliché. En dan vraag ik me af wat Koolens lezers uitrichten met boeken die zinnen als de geciteerde welbewust recycleren. Grosso modo valt beeldspraak immers te onderscheiden van bladvulling, en ritme van hoempapa. Auteurs die zulke polariteiten uitspelen, kan deze methode niet detecteren. Ze vallen door elke waardering heen (Arnoud van Adrichem in Het failliet: ‘Ik ken een overlevende van het postmodernisme.’)

Testzin

Misschien is duidelijk dat ik me in een niche van een niche ophoud. Daarin voelen juist veellezers, op het droge geworpen door citaten als de bovenstaande, zich als een vis in het water. En misschien kan Koolen een bepaald soort literatuur, zowel door vrouwen als mannen gemaakt, bij haar onderzoek niet gebruiken. Het wordt ook zelden genomineerd. Maar maakt dat zulke teksten minder relevant? Dat een nominatie volgens Koolen zeker voor vrouwelijke auteurs reden vormt om alsnog over hen te schrijven, is al treurig genoeg. Die inhaalmanoeuvres zijn immers willekeurig; een andere jury had grotendeels andere titels opgelepeld. Koolens patronen leggen trendvolging bloot. Te overdenken is haar anekdote dat ze bij lezingen vraagt naar literaire prijzen en dat er dan altijd maar twee worden genoemd: de AKO en de Libris. Ze mag zich haasten ook deze topposities te relativeren vanwege de grote zichtbaarheid en dito geldbedragen die de genoemde sponsoren uit de private sector weten te bewerkstelligen, maar ze zouden de overheid kunnen aanzetten tot andere strategieën dan rond de P.C. Hooft-prijs, de Constantijn Huygensprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en dies meer dat in vakkringen pas echt als ‘prestigieus’ geldt.

Toch geloof ik dat Koolen wel een erg groot gewicht toekent aan onderscheidingen. Er zijn genoeg voorbeelden van auteurs die bij leven zijn vermenigvuldigd tot een muis, of die postuum erkenning kregen. Nergens laat Koolen ook uitschijnen dat het literaire bedrijf evengoed veel groter is dan de auteurs rond wie, naast de bulk lectuur waarvoor ze het opneemt, haar onderzoek cirkelt. En daar speelt het geslacht geen rol. Naar aanleiding van databanken in Nederland en Vlaanderen met wat literatuur wordt genoemd schatte ik dat van 5% tot 10% zelfs de meest welwillende kenner een boek van kaft tot kaft heeft doorgenomen. Ik vraag me ook af wat voor literatuur staat te verschijnen als Koolens – bij uitzondering niet gestaafde – observatie klopt dat ‘iedere leerling creatief schrijven’ een basisles krijgt met de aanbeveling: ‘verwijzingen naar namen en merken uit de “echte” wereld kan een auteur beter niet gebruiken, want literaire romans moeten het liefst zo min mogelijk direct naar de wereld buiten het boek verwijzen. Dat maakt ze tijdlozer.’

Met mijn technische blik voldoe ik volledig aan het stereotype van de begoochelde mannelijke lezer zoals Koolen dat schildert. Met mijn voorgeschiedenis als hermetische dichter is het voor mij ook lastig te begrijpen dat hoge literatuur in Dit is geen vrouwenboek wordt gezien als iets met moeilijke woorden waarover je veel en diep moet nadenken. Ik herinner me dat als depreciatie. En ik betrap me opnieuw op arrogantie wanneer ik de aanvechting krijg om door een literaire professional voor het onderzoek aangeleverde fragmenten te redigeren. Die professionaliteit meet Koolen bovendien af aan machtscriteria: academische studie en promotie cum laude, een debuut ‘dat vier ballen kreeg in NRC Handelsblad’ en een werkbeurs voor een tweede roman. Is dat ook geen internaliseren van autoriteit? Wel snap ik zo beter waarom ze in haar schets van een kwalitatief geslaagde literaire carrière zowel een sport van de ladder reserveert voor publicatie in het voorbijgestreefde medium van het literaire tijdschrift als voor aanwezigheid op het druk gecoverde Boekenbal.

Misschien verbazen Koolen en ik ons dus over uiteenlopende dingen. In haar studie is het een scoop dat veel mensen, ook bij lezingen die ze geeft, een testzin van Arnon Grunberg hebben geassocieerd met chicklit. Een serieuze recensente heeft zich vervolgens afgevraagd of deze gereputeerde auteur hiermee wegkomt omdat hij een man is of omdat zijn werk wordt uitgegeven als Hoge Literatuur. Maar voor mij is de vraag veeleer of Grunberg gedegen wordt geredigeerd. Of daar zelfs genoeg tijd voor is in een productietraject met deadlines waarbij juist in grote media de interviews en optredens al lang tevoren vastliggen. Ik vermoed ook niet dat Grunberg voor alles een stilist is en ben het met Koolen eens dat zijn complexiteit elders ligt. Ze bewijst dus iets onbijzonders en conformeert zich in haar plezier het te hebben gevonden. Te sporadisch worden A-auteurs, dat wil zeggen: zij die met kentekens van aandacht en erkenning worden omhangen, ideologisch én ambachtelijk gelezen.

Word ik dan wel overtuigd door Koolens conclusie dat discriminatie al in onze taal besloten zit? Ja en nee. Het is inderdaad tergend om te beseffen dat er allerlei woorden bestaan die aan vrouwen zijn verbonden en weinig goeds willen uitdrukken. Koolen kwam ze tegen in de boekbeoordelingen van haar testpubliek:

‘keukenmeidenroman’
‘van keukenmeidenniveau’
‘damesroman’
‘huisvrouwenroman’
‘vrouwenboek’
‘vrouwenverhaal’

Het zijn pejoratieven. Ze doen denken aan bijbetekenissen van ‘zwart’ waarvan de onrechtmatigheid langzaam begint door te dringen. Het voorvoegsel ‘vrouwen-’ vat Koolen in: ‘slecht geschreven, geen mooi taalgebruik, simpel te lezen, eenvoudige plot’. Dit idee-fixe duikt veelvuldig op, terwijl Koolen slechts één keer het voorvoegsel ‘mannen-’ ontmoet. Dan verwijlt het in spionageromans, met als notie: ‘geen diepgang, geen goed verhaal en een “typisch” mannelijk onderwerp als geweld’. Koolens aanhalingstekens vind ik wijs, want volledig is ze bij deze genretaalexploratie allerminst. Die ambitie heeft Dit is geen vrouwenboek wellicht ook niet, maar op dit punt snak ik ernaar.

In eerste instantie verbeteren overige genres die expliciet aan vrouwelijkheid zijn geklonken de stemming niet: chanson de femme, dienstboderoman, heldinnenbrief, Mariaklacht, Marialied, Mariaspel, vrouwenblaam en vrouwenlof. Eén categorie belooft gelukkig wel kwaliteit, plus zelfbeschikking bij het object. Dat is de sapfische ode, vernoemd naar de fameuze dichteres uit de Oudheid. Maar als het gaat om genres die een mensennaam hebben gekregen, wordt Koolens punt bekrachtigd. Er zijn immers ook Horatiaanse en Pindarische odes. Tevens werden er sonnettentypen vernoemd naar Milton, Petrarca, Shakespeare en Spenser. Kwantitatief domineren genres die aan mannen te linken zijn boven de negen die hierboven expliciet met vrouwen zijn verbonden.

Toch mag volgens mij opgemerkt worden dat sommige mannengenres literair in een ongunstig daglicht staan: arbeiderspoëzie, detectiveroman (speurdersroman), doktersroman, politieroman, soldatenlied, vampierverhaal, zeemanslied. Ik kan niet inschatten of ze even negatief zijn als de door Koolen verzamelde oordelen waarin ‘vrouwen-’ de toon moesten aangeven. Zeker is wel dat in nog wat literair bedoelde tekst het andere geslacht evenmin hoge ogen scoort. In 1980 voerde Jeroen Brouwers een beruchte polemiek tegen ‘jongetjesliteratuur’ en die inspanning sorteerde, behalve in de literatuurgeschiedenis, bitter weinig resultaat. Integendeel, wat hij laakte is het soort taal en wereldbeeld dat decennia later bij De Wereld Draait Door, hét programma dat voor een langere tijd de representatie van kunst bepaalde, exclusief aan bod kwam. En dat maakt Koolens essentialistische taalargument uiteindelijk populistisch.

Deel 2 van deze bespreking verschijnt morgen op Neerlandistiek.