Dat bevestigen bronnen aan de NOS

Door Henk Wolf

“Ik vind dit zo raar geformuleerd. Alsof er sprake is van onjuist voorzetselgebruik: we spijkeren/nieten/tapen iets vast aan de NOS.”

Dat schreef kortgeleden iemand op de Facebookgroep Leraar Nederlands over het hierboven omcirkelde zinnetje uit een nieuwsartikel van de NOS.

De talige intuïties van de reagerende collega’s liepen uiteen: er waren er die de formulering prima vonden, er waren er die de zin ook raar vonden klinken.

Een mooie reactie was de volgende:

“Je kunt geruchten bevestigen, maar je kunt niet geruchten bevestigen aan iemand. Bevestigen kan niet op dezelfde manier als bijvoorbeeld beloven gebruikt worden.”

Wat de schrijfster van die reactie verwoordt, geldt voor meer sprekers, maar er zijn blijkbaar ook sprekers voor wie bevestigen juist wel op beloven is gaan lijken. Als je kijkt naar de geschiedenis van het woord bevestigen, dan is dat ook niet zo verwonderlijk.

De oudste betekenis van bevestigen is ‘vastmaken’. Daaruit heeft zich de betekenis ‘waarschijnlijk maken’ ontwikkeld. Dat is niet zo’n grote stap: vast heeft ook nu nog weleens de betekenis ‘waarschijnlijk’, bijvoorbeeld in het idioom vast en zeker of in zinnen als ‘Dat gaat vast lukken’.

Zo kan de uitzondering al een paar honderd jaar de regel bevestigen (‘waarschijnlijk maken’) en kunnen wetten het recht bevestigen (ervoor zorgen dat het waarschijnlijk is dat er recht wordt gedaan).

Uit die betekenis heeft zich vervolgens weer een nieuwe betekenis ontwikkeld, namelijk: ‘zeggen dat iets waarschijnlijk (of zeker of waar) is’. Die betekenis vinden we in:

  • De getuige bevestigde het verhaal van de verdachte.

Nou kunnen werkwoorden die een vorm van ‘spreken’ uitdrukken heel makkelijk de associatie oproepen met iemand die luistert naar het gesprokene. Immers: mensen praten doorgaans niet zomaar wat voor zich heen, maar brengen met hun spraak doorgaans een boodschap over aan iemand anders.

Zo’n aangesproken persoon kan als niet-verplicht zinsdeel in de zin worden opgenomen. In het moderne Nederlands begint zo’n zinsdeel soms met het voorzetsel richting, in wat traditioneler Nederlands bijvoorbeeld met ten overstaan van. Hieronder staan een paar voorbeelden:

  • De getuige bevestigde het verhaal van de verdachte richting de agent.
  • De getuige bevestigde het verhaal van de verdachte ten overstaan van de agent.

Als je zo’n optioneel zinsdeel een bepaling noemt (en je kunt uiteraard andere definitiecriteria gebruiken), dan staat de aangesproken persoon in de bovenstaande zinnen in een bepaling. Nou kan zo’n bepaling zich verder ontwikkelen tot een voorwerp, dat een nog sterkere band heeft met het werkwoord. Dat kan gebeuren als de ‘zeggen’-betekenis sterker wordt aangevoeld, zodat bevestigen net als bijvoorbeeld vertellen en beloven meteen het beeld oproept van zowel een spreker en een mededeling, als van een aangesproken persoon. Die ‘rollen’ worden in bedrijvende Nederlandse zinnen veelal syntactisch verbonden met respectievelijk het onderwerp, het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp.

Zo’n meewerkend voorwerp begint doorgaans met andere voorzetsels dan een bijwoordelijke bepaling. Een veelvoorkomend voorzetsel dat je in meewerkende voorwerpen vindt, is aan: je kunt iets aan iemand vertellen of beloven. Dat er sprekers zijn die een verhaal aan iemand kunnen bevestigen, laat waarschijnlijk zien dat zij de aangesproken persoon bij dat werkwoord onbewust als meewerkend voorwerp hebben geanalyseerd.

Iemand merkte terecht op dat wel gek was dat het voorzetsel moeilijk weglaatbaar was, terwijl dat weglaten bij een meewerkend voorwerp doorgaans toch kan. Bij een persoonlijk voornaamwoord wilde het nog wel, maar bij een zelfstandignaamwoordgroep ging het niet zo goed:

  • Dat bevestigen bronnen aan de NOS. <voor sommigen prima>
  • Bronnen bevestigen de NOS dat. <voor een deel van hen raar>
  • Bronnen bevestigen mij dat. <minder raar dan de voorgaande zin>

Dat niet-helemaal-weglaatbaar-zijn van het voorzetsel laat mogelijk zien dat de overgang van bepaling naar meewerkend voorwerp in het geval van de aangesproken persoon bij bevestigen nog niet helemaal voltooid is.