‘ben jij ook, heeft hij jou ook’

Pronomina in de hedendaagse Nederlandse lyriek (6: K. Michel, & rol door)

Als ik de lezerspost mag geloven, raak ik met deze reeks iets aan dat reëel is, terwijl het nauwelijks besproken wordt. De keuze van persoonlijk voornaamwoorden in gedichten – voor geen van de bundels die ik tot nu toe besprak heb ik recensies gevonden die er iets over zeiden –, maar ik heb van de auteurs van de meeste tot nu toe besproken bundels een mailtje gekregen waarin ze vertelden dat dit inderdaad iets was waar ze goed over hadden nagedacht.

Dat moet voor K. Michel ook gelden. In de gedichten in zijn nieuwste bundel, & Rol door, denkt hij soms hardop na over wat lyriek eigenlijk is, en de vraag wat de relatie is tussen ik en jij is daar een klassiek onderdeel van: een ik richt zich tot een jij, ook al zijn zowel die ik als die jij volkomen losgezongen.

Nu zou je Michels werk kunnen associëren met een lange onlyrische traditie in de dichtkunst. In & Rol door staat een gedicht, OP AF (krak) dat in die traditie staat, en waarin behalve één keer zijn (bek) geen voornaamwoord voorkomt. Dit zijn de eerste regels (het gedicht heeft eerder in zijn geheel in Neerlandistiek gestaan):

krak
uit het ei
komt
een sneeuw
balletje
rolt over
de grond
en breekt
al smeltend
open &
uit het water
zwemt een
goudvis
(…)

Maar de bundel opent met een gedicht (‘Smalle brief’) waarin een heuse ik voorkomt (‘Ik liep door de gangen van een winkelcentrum’) en zelfs een heuse apostrofe (‘Het blijft belangrijk, vrienden, om muren blauw / te verven’). Zoals in het gedicht ‘Hink stap stop start’ een ik voorkomt die ‘odes’ schrijft die gekarakteriseerd worden door apostrofes als ‘O adem O asterisk’.

Het OP AF gedicht hierboven is trouwens reeks van een serie waarin een ander gedicht (OP AF (klapstoel)) de verhoudingen tussen ik en jij in de lyriek vrij aardig weergeeft. De eerste persoon is een acteur (die een je gebruikt als was hij een koor in een klassiek toneelstuk), jij een klapstoel, met andere woorden een levenloos object waarvan je normaliter niet vermoedt dat het kan spreken:

Toneelspeler komt op
vouwt een klapstoel uit
en spreekt die toe

‘Als je niet leuk doet
vinden wij je niet leuk
want arrogant’.

(…)

Maar het gedicht waaruit misschien wel het duidelijkst blijkt dat Michel bezig is met ik en jij is ‘Jou ook?’, de titel zegt het al. Een aantekening onder de titel zegt ‘vrij naar James Tate’, en het is niet lastig om het gedicht te vinden dat hier bewerkt is: Bounden Duty.

Michels gedicht is sterk ingekort in vergelijking met dat van Tate, maar het begint min of meer hetzelfde, zij het dat de President een Premier geworden is. De laatste heeft wel nog steeds een hoofdletter:

Telefoon, de Premier aan de lijn
met een speciaal geheim verzoek.
Of ik iets voor hem zou willen doen.

Net als bij Tate is het verzoek om ‘normaal’ te doen (wat in de Nederlandse context, waar de premier lid is van een politieke partij die dat normaal doen als slogan voert, een iets andere lading krijgt dan in de Amerikaanse). De ik raakt door deze op het oog vrij eenvoudige opdracht zowel bij Tate als Michel uiteindelijk danig uit zijn doen, want hoe doe je dat eigenlijk, normaal.

Bij Tate komt de ik, die Leon blijkt te heten in gesprek met een zekere Kirsten, die in de derde persoon blijft, al wordt er vervolgens een gesprek tussen Leon en Kirsten aangehaald:

 “Nothing’s going on. Just
getting milk for my cat,” I said. “I didn’t know
you had a cat,” she said. 

Door de aanhalingstekens blijven de ik en jij niet-lyrisch.

Bij Michel zijn Kirsten en Leon helemaal afwezig, maar is er aan het eind van het gedicht wel degelijk een apostrofe:

ik popel (…)
om aan jou aan iedereen
te vragen ‘ben jij ook, heeft hij jou ook’.
Maar dat kan dus niet.
Plots weegt de opdracht verpletterend.