Verloskunde

Wonen in gedichten (18)

Door Judit Gera en Jos Kleemans
Moeilijkheidsgraad gedicht: gevorderden
Categorie: Mens en maatschappij

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: een gedicht van Anneke Brassinga.

Bede van het karrepaard

Ik zou niet graag van mijzelf moeten scheiden
maar ontheffing van oogkleppen zoals daar zijn
de zwerende of schrijnende kwetsuren, angst

voor slaag en hoon, de trage walm van stroperige
nawee, ach noem maar op al wat de blik vernauwt
tot kluistering van het door mij mijzelf genoemde

in wat daarvan ontkrachting is – daartoe zag gaarne
mijn overigens braaf gebreideld blijvende gestel
zich beaamd in vergunning, voor een spanne onbepaald,

zo weids als rekbaar zij; en zelfs smeekt af
het helderziende deel van mijn tot heden zwaar
verkapte blikveld, mocht het zover komen

moeten, een laatste gang verlicht door zeker recht
van niet meer hoeven op de tenen lopen en onbelemmerd
oorlof tot hinnikend genot van daarbij ten gehoor

zich brengend koorgezang van dwergengelen
met generale bas, sonoor gezucht in welig blad,
eronder. Aldus bij dezen in eenvoud met doorslag

mijn verzoek: uw onder voorbehoud dienstwillig zijnde
doch zeker toegenegen nee niet schepsel en nog minder
subject – afgezant, laten we wèl wezen.

Verschiet, 2001

De interpretatie van dit gedicht is een ware uitdaging. De moeilijkheden worden niet in de laatste plaats veroorzaakt door de vorm van het gedicht. Het gedicht bestaat uit niet meer dan twee zinnen. De eerste zin is over 6 strofen verspreid en krijgt structuur door enjambementen en pauzes. Eén keer is de pauze in deze zin gemarkeerd door een streepje, twee keer door een voegwoord (’maar’, in de tweede regel, punt komma gevolgd door ’en’ in regel tien). Verder zijn er komma’s, die de zin structuur verlenen en een reeks van opsommingen inleiden en tevens benadrukken.

In de laatste zin, beginnend met ’Aldus’, verdeeld over strofe zes en zeven staat één dubbele punt, een streepje en een komma. Bij ’nee’ en het voegwoord ’en’ komen ook pauzes. Het gedicht doet denken aan een notariële acte, aan een rede van een Romeinse consul of aan een ’preek’, een verdediging van een principiële zaak, zoals je in de bijbel in de brieven van Paulus tegenkomt. Het gedicht lijkt wat vorm betreft in elk geval sterk op een formele brief. De enjambementen lijken de formele stijl te doorkruisen en het geheel wat losser van vorm te maken. De formele toon krijgt daardoor iets van een parlandostijl. De acte is kennelijk geschreven met de bedoeling hem duidelijk voor te kunnen lezen. Dan zijn pauzes belangrijk, ze geven accent aan belangrijke zaken, zo komt de boodschap goed over.

Bij een eerste globale lezing vallen de woorden ’moeten scheiden’, ’ontheffing’, ’ontkrachting’ en ’vergunning’ op. Een ’verzoek’ wordt gedaan bij een hogere instantie. In dezelfde sfeer passen de woorden ’gaarne’, ’afsmeken’, ’recht’, ’in eenvoud’, ’dienstwillig’ en ’toegenegen’, een ’afgezant’ brengt een boodschap over. De afgezant, het karrepaard uit de titel van het gedicht, is zich bewust van de hiërarchische verhoudingen waarin het staat. Het karrepaard, gepersonifieerd als lyrisch ik, is metafoor voor onderdanigheid en dienstbaarheid. De titel wijst erop dat hier sprake is van een ’bede’. Er wordt om iets gevraagd. In het Latijn is bede een ’oratio’, hetzelfde woord voor ’rede’ of ’vertoog’. Een bepaalde zaak wordt bij een hogere instantie, al dan niet goddelijk, bepleit.

Het eerste deel van het gedicht beslaat de hele eerste zin. Het is het verzoek van het karrepaard. Eerst stelt het karrepaard in ontkennende voorwaardelijke wijs vast wat het niet wil: ’Ik zou niet graag van mijzelf moeten scheiden.’ De regel spreekt uit, dat het lyrische ik zich verzoend lijkt te hebben met zijn huidige staat. Waarom van ’mijzelf’ afscheid nemen en in een schizofrene situatie terecht komen? Maar de tweede zin leidt een parenthese, een steeds sterker wordende opsomming in. Het is een opeenstapeling van elementen die de ondergeschikte, geknechte verhouding waarin het lyrische ik zich bevindt onderstrepen: oogkleppen, zwerende of schrijnende kwetsuren, angst voor slaag en hoon, de trage walm van stroperige nawee, al wat de blik vernauwt, kluistering. Het door mij ‘mijzelf’ genoemde, ziet er niet bepaald gelukkig uit. ‘Ontheffing’ en ‘ontkrachting’ hiervan (‘van zichzelf [toch te] moeten scheiden’, zie regel 1) blijkt zo gek nog niet. In sterk formele, bureaucratische, ja bijna onderdanige bewoordingen wordt dit uitgedrukt: ‘zag daartoe gaarne zich beaamd’. Het lyrische ik ziet in dat het ‘zichzelf’ niet is, zolang het gekluisterd is en een vernauwde blik heeft. Door de ‘ontkrachting’ hiervan, door een protest tegen de kluistering, wordt het ik zijn ware ‘mijzelf’ (in volle kracht) onthuld en teruggegeven. Het ‘mijzelf’ van de eerste regel en het ‘mijzelf’ in de zesde regel zijn treden in een proces van bewustwording.

‘Mijn overigens braaf gebreideld blijvende gestel’ lijkt door de woordkeus op een bewust gekozen nederige en vooral voorzichtige stijl direct afkomstig uit de negentiende eeuw. Het is een terugval, een regressie naar een voorgaande fase in het bewustwordingsproces. De aloude onderdanige levenswijze was eigenlijk ook best lekker veilig, verandering daarin is altijd een risico. Verder werkt de extreem formele stijl van de zin tussen pauzestreepje en punt komma sterk ironiserend. Dan volgt er een oxymoron: ‘voor een spanne onbepaald’. Een korte tijd, is een spanne, maar deze wordt verbonden met onbepaald. Spanne doet ook nogal archaïsch en negentiende-eeuws aan. Daarnaast klinken in dat woord ook betekenissen mee die niet alleen met tijd maar ook met ruimte te maken hebben (lengtemaat). En verder wordt een trekpaard in- of voorgespannen, soms vormen zij een tweespan. De volgende bepaling – ‘zo weids als rekbaar zij’ – lijkt ongrammaticaal. Maar het is een directe verwijzing naar de (hier door de beleefdheden, bijna volledig ontkrachte, virtuele) optativus in het ‘amen’/’het zij zo’ in de bede van het trekpaard. Moge die ontheffing van de oogkleppen zo radicaal mogelijk zijn (weids, ruimtelijk) en zo lang mogelijk duren (rekbaar, tijdelijk). Een mystiek moment van bevrijding, zou je kunnen zeggen, dat in het volgende deel door ‘helderziend’ en ‘verlicht’ weer wordt opgepakt.

Na de puntkomma – net zoals na het streepje in de vorige strofe – zet de wens van het karrepaard zich voort en krijgt deze een nieuw gewicht. In de volgende drie regels komen elementen voor die synonieme herhalingen van vroegere elementen zijn: ‘afsmeken’ herinnert aan ‘bede’ en ‘vergunning’, het ‘helderziende deel’ herhaalt ‘het ontkrachte deel’ van het ‘ik’, het ‘zwaar verkapte blikveld’ herinnert aan de ‘oogkleppen’. Er is sprake van een overgangsperiode: ‘tot heden zwaar verkapt’ en ‘mocht het zover komen moeten’. Opnieuw een voorwaardelijke wijs, maar het hulpwerkwoord ‘moeten’ geeft al aan dat vanaf hier het proces van bevrijding onvermijdelijk in zicht komt.

De ‘laatste gang’ wordt een bevrijde gang, visueel en auditief. Er is sprake van verlichting, van ‘recht’, van ‘onbelemmerd oorlof tot hinnikend genot’, terwijl ‘op de tenen [te hoeven] lopen’ terugwijst naar ‘het gebreideld blijvend gestel’, het ‘verkapte blikveld’ en naar ‘kluistering’. Deze laatste gang wordt dan een steeds sneller wordende galop waarbij niet alleen het zicht maar ook het gehoor bevrijd wordt: [zich] ‘ten gehoor brengend koorgezang’, ‘generale bas’, ‘sonoor gezucht’ worden als zovele aangename en bevrijdende auditieve ervaringen beleefd.

Na deze climax begint de tweede zin van dit gedicht in extreem formele stijl. ‘In eenvoud met doorslag’ kan op verschillende manieren begrepen worden. Ook hier lijkt sprake van een oxymoron. Er is een doorslag, een kopie gemaakt. Maar ‘in eenvoud’ laat zich moeilijk verbinden met een kopie. Wel met een ‘bede’. Het lyrische ik, dat zich als een karrepaard voelt, doet een verzoek in alle nederigheid, ‘in eenvoud’, maar hij doet het uitdrukkelijk. Het woord doorslag onderstreept dit: het is een duidelijk en kordaat verzoek. Er hangt iets vanaf.

In de eerste zin, in het hele eerste deel van het gedicht, die loopt van ‘ik’ tot ‘eronder’, wordt steeds uitdrukkelijk in een voorzichtige en conditionele tijd gesproken. ‘Zou’ in regel één, ‘zag gaarne’ in regel zeven, ‘mocht’ in regel twaalf, het zijn wensen waarvan de vervulling van de ander afhangt. In de laatste zin, die met ‘Aldus’ begint, wordt het ‘verzoek’ afgerond met een krachtige imperatief. Een bewustwordingsproces lijkt hier zijn echte hoogtepunt bereikt te hebben. Ondanks de beleefdheidsformules die er nog wel staan, zoals dat in een beleefd verzoek, een brief hoort, wordt er door de laatste pauze (zie het streepje) op eenduidige wijze een punt gezet. Deze eenduidigheid wordt versterkt door de afwezigheid van het overal aanwezige (behalve in regel één) enjambement. Niet zomaar een schepsel of subject (subject is een ‘onderworpene’) doet hier een verzoek. Een ‘afgezant’ is aan het woord. Hij spreekt uit naam van de ander, jij en ik, ‘wij’ doen de bede. De roep om bevrijding en gelijkberechtiging komt daarmee ten einde, of iets religieuzer geformuleerd, want het gaat immers om een ‘bede’, hij wordt vervuld.

 Wat te denken van ‘de trage walm van stroperige nawee’, ‘hinnikend genot’ en ‘sonoor gezucht’? Stuiten we hier op verborgen verwijzingen naar het proces van het baren of misschien het verwekken van een kind? Zou je dit gedicht enkel vanuit feministisch perspectief moeten lezen, als een bevrijding van de vrouw (van de onderdrukking van de man)? Of kan het ook universeler en zijn de mensen met ‘oogkleppen’ als de bewoners in de grot van Plato, die daaruit losgemaakt moeten worden om zo zichzelf te baren? Wie het weet mag het zeggen.

Wat gebeurt er nu op talig gebied in de loop van dit gedicht? Het brengt een proces op gang van een voorwaardelijke onderdanigheid, naar een gebiedende gelijkberechtiging. Ondergeschikte en voorwaardelijke bijzinnen, veranderen in nevenschikkende geboden. Het gedicht is als een krachtige brief, die in zijn eenvoud en helderheid om een krachtig antwoord vraagt: bevrijd het karrepaard!

Afbeelding van Ivana Sladkovska via Pixabay