Top 40 van de Gouden Eeuw – 30

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Cette cruelle

‘Cette cruelle (ne me peut servir)’ is de zevende versregel van ‘Há que le ciel est contraire à ma vie’, een Franse air de cour van François de Chancy uit 1635, die tot ver in de 18de eeuw zeer populair was. Zo is de melodie gebruikt door de Zuid-Nederlandse priester en dichter Guilielmus (Willem) Bolognino voor een van zijn liederen in het contrareformatorische liedboek Den gheestelijcken leeuwercker (1645), waarin alle melodieën staan uitgeschreven; dit is onze bron. Als tekst hebben we een van de drie liederen gekozen die Jacob Cats op deze melodie heeft geschreven. Op modieuze wijze verheerlijkt de dichter hierin het zuivere landleven, als tegenwicht voor de kruiperige weelde van het leven aan het hof.

Boeren lof, Tegen’t hof. Op de wyse: Há! que le ciel est contraire à ma vie

3. Koom siet het gras en alle boomen groeyen,
Koom siet het vee gaen spelen op het velt,
Koom siet het kruyt aen alle kanten bloeyen,
En segh my doch wat ghy hier tegen stelt:
Koom siet een beeck die sachtjens neder schiet,
En door het sant en over keyen vliet,
Een vreught in myn verdriet.

4. Siet ghy in ’t hof een kamer vol tapijten,
Siet ghy een leer dat kunstigh is vergult,
Ghy sietet niet dat yder plagh te bijten,
Oock sonder gront en buyten syne schult;
Al wat daer blinckt en is maer enckel schijn,
Men vinter gal oock in den besten wijn.
Wie kander vrolick syn?

5. Het vlas, het zaet, de bloemen vander heyden;
Het appel-hout dat op het bloeyen staet,
Het aerdigh groen gemengelt tusschen beyden
Is meerder lust dan al het hof-çieraet.
En waerom niet? ’t Is Godes eygen hant,
Die stort syn heyl en segen op het lant,
En watter is geplant.

6. Wat is Musijcq of diergelijcke saken,
Wat is een Luyt, of Cijter, of een Veel?
Of hoe het sy, ’k en vinde geen vermaken
Dan als ghy singht en ick een deuntjen speel:
Dan noch een çijs, of soete nachtegael,
Die neurt of singht, en staegh een ander tael,
Verwintet al-te-mael.

7. Laet aen een Prins syn opgepronckte tafel,
En vult hem op met alderhanden wijn;
Ick prijs een struyf of diep-geruyte wafel,
Ick versche melck; daar vint men geen venijn.
’Tis of een schael, of kop van enckel gout
Daer in men gif of slangen swadder brout,
En wat een adder spout.         

8. O vrije lucht, en onbekommert leven!
O houf, ô lant, en soete buyten-vreught!
Geen hof en kan de ziel vernuegen geven;
Want daer en is geen woon-plaets voor de deught.
Een yder mensch te spreken na den mont,
En niet te doen als op een loosen gront,
Is daer de nutste vont.

9. Nu tot besluyt, ô bloemtje vander heyden,
Vergeet het hof; daar is geen ware rust.
Komt nevens my u teere schaepjens weyden;
Hier is vermaeck en enckel herten-lust.
Wat baet den mensch of eer of machtigh gout?
Hy leeft gerust die uwe velden bout,
O wel geluckigh wout.

Jacob Cats

nanaar
trachtenstreven
wachtenverwachten
hoogheytpracht en praal
gesetingesteld
boutverbouwt
welzeer
woutplatteland
vreughde rapengenoegen scheppen
dienst vandienstbaarheid aan
op […] paststreeft naar
hoofsche ranckenrangen aan het hof
wat […] alswat anders […] dan
staeghvoortdurend
Na hooge staten dorstnaar aanzien smacht
tegen stelttegenover zet
neder schietomlaag stroomt
vlietvloeit
plagh te bijtengewend is te kwetsen
galbitterheid
tusschen beydendooreen
çieraetgepronk
wat is Musijcqwat stelt muziek nu helemaal voor
Cijtercither
Veelviool
geen vermakengeen beter genoegen
Dan nochsterker nog
çijssijs, zangvogel
staeghtelkens
verwintetovertreft het
al-te-maelhelemaal
vult hem opgiet hem vol
prijsverkies
struyfdunne pannenkoek
geen venijnniets verderflijks
swadderslijm
spoutspuwt
houfboerenhoeve
vernuegengenoegen
niet te doen als op een loosen grontalles op bedrieglijke grond te baseren
Is daer de nutste vontlevert daar het meeste profijt

Tekst uit: Jacob Cats, Klagende Maeghden en Raet voor de selve ([Dordrecht: Matthias Havius] 1634),  ‘By-voughsel’ fol. Dd4v-Dd6r, p. 8-11.  http://www.dbnl.org/arch/cats001klag01_01/pag/cats001klag01_01.pdf (pdf p. 453-456)
Melodie uit: Guilielmus Bolognino, Den Gheestelycken Leeuwercker vol Godtvruchtighe liedekens ende leyssenen, bedeylt indry Deelen (Antwerpen: Weduwe ende Erf-ghenamen van Jan Cnobbaert 1645), p. 188-189 http://anet.uantwerpen.be/digital/opacehc/ehc/dg:ehc:571/N (pdf p. 105)