Top 40 van de Gouden Eeuw – 26

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

O nacht jaloerse nacht

De andere naam van deze van oorsprong Franse melodie is ‘Esprits qui souspirez’. We vinden de melodie in Le Recueil des plus belles et excellentes chansons, en forme de voix de ville, tirees de divers autheurs & poëtes françois […] Paris, 1588. Jehan Chardavoine heeft alle liederen hierin opnieuw voorzien van hun melodie, zodat iedereen ze kan zingen of spelen, waar men ook is. Van de  liefdesklacht van Philippe Desportes (1546-1606) ‘O nuict jalouse nuict contre moy conjurée’ zijn verschillende Nederlandse vertalingen gemaakt, die het origineel vrij getrouw volgen: in 1610 in de Nederduytsche Helicon; in 1615 in Apollo; in 1626 door Ymmeloot. We hebben hier gekozen voor de versie in Apollo of Ghesangh der Musen, wiens lieflijcke stemmen merendeels in vrolijcke en eerlijcke gheselschappen werden ghesonghen (1615). Onze melodie komt in deze bundel maar liefst zeven keer voor; vijf keer met de wijsaanduiding ‘Esprits qui souspirez’ en twee keer als ‘O nacht jalourse nacht’. De ik-figuur begint met een verwijt aan de nacht en aan de maangodin Selene. Zij hult namelijk de aarde niet in duisternis, maar brengt licht met zich mee, als een zomerdag, door een sleep van sterren. Dat komt de minnaar slecht uit, want hij kan zo niet ongezien het huis van zijn lief binnengaan. Heeft Selene zich niet zelf ook ooit eens laten verleiden door de wellustige Pan, die zich had vermomd als schaap? En heeft ze niet ook ‘s nacht in het geheim de herder Endymion bemind? Nu het inmiddels licht wordt, blijft de minnaar onbevredigd ronddwalen.

Stem. Esprits qui souspirez

3. En ghy, Sols suster, comt neven de aerde snuyven
Om my ’t ondecken slecht toont ghy u aenschijn blanck;
Ontsteeckt ghy so dijn licht als ghy al stil gaet schuyven
By die ghy soetlijck kust met vriendelijck ontfanck?

4. Indien ’t u maer gedenckt, verliefde schoon Goddinne,
Wat vreuchde ghy ghenoot, als ghy hem hebt ghekust,
Terwijl ick nu uytgae om kussen die ick minne,
Laet u vergulden glans soo langh wat zijn gheblust.

5. De fabel mach men wel voor onwarachtich houwen,
Die seyt dat noyt de liefd’ u borst verwarmen kon,
Want Pan heeft u bekent, ghelijck als ander vrouwen,
Dewijl hy met een Vlies u suyverheyt verwon.

6. Heeft u het schoon gesicht eens Herders schoon ontsteken,
En hebt ghy hem ghemint, gelijc men vast gelooft,
In uwe hitte groot is u seer wel ghebleken,
Dat liefdens soete vreucht bedeckt wil zijn gherooft.

7. Doch doet na uwen lust u silvre hoornen blincken,
En laet u raders vry op ’t wijdtste zijn ghestreckt,
Met u gheleende licht sult ghy wel langh staen quincken,
Eer ghy mijn liefde trou aen eenich mensch ontdeckt.

8. Och wat een moeylijck volc, o! watte sno manieren,
Dus laet op straet te zijn, alleenlijck om ’t gheklap:
Vertreckt u uyt de mist, die u den hoest kan stieren,
Den nacht gaet over; gaet, en rust voor u ghesnap.

9. Ick gae, ick kom, ick vlucht, ick luyster en ick wandel,
Mijn oogh dat draeyt altijdt na de ghewenste plaets,
Maer ick en vorder niet, ontdeckt is al mijn handel,
Van moeylijc volc, jaloersch, wangunstigh en vol haets.

10. Mocht ic eens Coninc zijn, ick deed’ terstont verklaren
Dat niemandt op de straet sou moghen zijn by nacht,
Alleen de Minnaers slecht, woud’ ick toelaten garen,
Soo yemandt anders deed’, ick straften hem onsacht.

11. O slaep o soeten slaep, rust van ghewoone wercken,
Die de ghedachten sluyt, door uwe soete vreucht,
Begoochelt Argus hooft, dat al mijn doen sou mercken
En schutten soo de lust die hert en sin verheucht.

12. Maer ongheluckigh ick verlies de tijdt en woorden,
Mijn slaep verslonden is van ’t ongherust ghemoet:
Terwijl ic aldus klaeg so duyckt de nacht nae ’t Noorden,
En Aurora alree den Hemel open doet.

13. Ick gae om in te gaen, maer niet om te doen blijcken
Wie dat ick ben, ick wil mijn mantel voor my slaen,
Maer laes ic werd’ gewaar, dat s’ al op my staen kijcken,
Sonder ontdeckt te zijn kan ick er niet in gaen.

14. ’K en vreesde niet voor my, ick brack een legher open,
Om treden in ’t vertreck, dat oyt mijn lust verborgh,
Maer siet ic vrees mijn vrou mocht dit met blaem bekoopen
Wiens rust ick duysent mael voor eyghen rust versorgh.

15. Wat sal ick? wil ick gaen? wat soud’ ic anders maken,
Ick sie van langher handt den dagh op komen spoen,
Bedrieghelijcke hoop, gheluckigh zijn die smaken
Een ander loon van liefd’ als quaet, voor dienst te doen.

versworengekant
te sporenop te schieten
TotSlechts tot
Solsvan de Zon (Apollo)
t’ ondeckenzichtbaar te maken
slechtalleen maar
By dienaar wie (= Endymion)
bekentverleid
Vliesschapenvacht
bedecktin het donker
silvre hoornen(de punten van) de maansikkel
raderslichtstralen
quinckenschitteren
trouvoorwaar
moeylijckbemoeizuchtig
snoschandelijke
’t gheklaphet geroddel
Vertreckt uTrek u terug
stierensturen
voor u ghesnapvan uw kletspraatjes
handelhandelen
Begoocheltmisleid
Argus hooftde honderd ogen van Argus
schuttentegenhouden
Auroragodin van de dageraad
alallen
brack een legher openzou een beleg doorbreken
die smakendegenen die krijgen

Tekst uit: Apollo of Ghesang der Musen wiens lieflijcke stemmen merendeels in vrolijcke en eerlijcke gheselschappen werden ghesonghen (Amsterdam: Dirck Pietersz, 1615), p. 23-24. http://www.dbnl.org/arch/_apo001apol01_01/pag/_apo001apol01_01.pdf (pdf p. 31-32)
Melodie uit: Antoine de La Cauchie, La Pieuse alouette avec son tirelire (Valencienne: Jean Vervliet, 1619), p. 118. https://books.google.nl/books?id=iLdBC6N1w7UC (pdf p.174)