Multatuli als taalkundige

Door Marc van Oostendorp

‘Ik beweer, met terugzicht op deze en dergelyke beschouwingen, dat er geen dankbaarder vak van onderzoek is dan algemeene-taalkunde. (…) Wysgeerige taalkunde is de geologie van ’t levende woord. Het oudste monument van Kunst of Nyverheid is jong, en in z’n stomheid onbeteekenend, by vergelyking met de eerste klanken die de mensch opving van de Natuur, en gebrekkig nastamelde met ongeoefende keel. Er was al veel gebeurd, voor men zich waagde aan den eersten medeklinker. En de stam die ’t eerst de r duidelyk wist te onderscheiden van de l, heeft in zyn tyd aan ’t hoofd der beschaving gestaan!’

(Idee 1047d)

Er zijn waarschijnlijk weinig Nederlanders geweest voor wie de taal zo zwaar woog als voor Multatuli. Natuurlijk is taal voor iedere schrijver belangrijk – het is zijn instrument. Maar voor Multatuli was het vinden van het juiste woord, de juiste formulering zó belangrijk dat het hem soms belemmerde te schrijven. Hij wilde geen ‘frasen’ maken – de clichés waarop hij menig andere schrijver meende te betrappen – en daarvoor was het nodig om enerzijds zo precies mogelijk te zijn en anderzijds om zich zo natuurlijk mogelijk uit te drukken. En die twee dingen waren misschien wel hetzelfde. In de taal waren allerlei dingen aangekoekt, dood hout dat moest worden weggesnoeid, om te komen bij de ware taal, de levende.

Paradoxaal genoeg was de taal voor hem juist ook belangrijk als een sleutel tot dat verleden. De taalwetenschap was een van zijn grote liefhebberijen, en zoals hij in Idee 1047d zei, vond hij ‘geen dankbaarder vak van onderzoek’. Door al die lagen van tot frasen gestolde cultuur weg te bikken, en naar de vorm van een woord te kijken, kon je iets leren over hoe de eerste mensen gesproken moeten hebben: rust was een plaatje van de rust, met de beweeglijke r en de in een t tot stilstand komende s. Op de een of andere manier was bij dat ‘wysgeerige’ onderzoek geen empirie nodig: je hoefde niet écht te onderzoeken, met wat dichterlijke intuïtie kwam je al heel ver. Zo kwam je dus die mensen uit de oertijd naderbij en ontdekte je wat constant was aan de mens – dat moet ongeveer zijn gedachte zijn geweest.

Taal geeft dus de sleutel tot de menselijke natuur, en tegelijkertijd slibt de taal in de loop van de tijd vol cultuur. De taak van de taalkundige is gelijk aan die van de schrijver: het slib ruimen, op zoek naar de taal in haar volle glorie.

Met de taalkundigen van zijn tijd had Multatuli niet veel op. Zij waren juist te veel met het slib bezig: spellingkwesties bijvoorbeeld, of je algemeene nu met één of twee e’s moest schrijven. Hoewel Multatuli vond dat je eigenlijk beter algemene kon schrijven, als je toch ook levende schreef, was hij, zoals blijkt uit dit citaat geneigd zich aan die conventies aan te passen: het was toch niet waar het om ging, dus uiteindelijk maakte het weinig uit.

De spanning tussen natuur en conventie, tussen geleerdheid en intuïtie, tussen individu en collectief – het zijn thema’s in Multatuli’s leven en werk, ook als hij niet over taal of taalkunde schreef. Het zijn ook de spanningen die het onderzoek naar taal voor mij nog steeds maken tot het belangrijkste wat je kunt doen. Er is, inderdaad, geen dankbaarder vak van onderzoek.

Dit stukje is ook verschenen in het jubileumboek Multatuli.
Afbeelding: zwartwitfoto van Multatuli ingekleurd met kunstmatige intelligentie