Marnix Gijsen, Mijn vadertje

Door Peter J.I. Flaton

In 1963 publiceerde Marnix Gijsen (Jan-Albert Goris) de dichtbundel The house by the leaning tree, een suite van archaïsche gedichten, naar de plek waar hij van 6-8-’62 tot 6-9-’62 logeerde, een landhuis in West Redding, Connecticut. Daarin maakte hij de balans op van een lang leven (Gijsen is op dat moment 64 jaar) van dichter, romancier, diplomaat en echtgenoot, een van uiteraard hoogten en dalen, vreugde en verdriet, geluk en misère, (vandaar de typering ‘document humain’), met de nadruk op reflectie die leidt tot een nieuw begin: ‘Ik ben herboren, een heel nieuw leven vangt zóó aan’.

Dat de collectie goed ontvangen werd, blijkt uit het verschijnen van een tweede druk, uitzonderlijk voor een dichtbundel, toen en nu. Daarin is een grammofoonplaatje opgenomen waarop de dichter zijn verzen voorleest en het luisteren ernaar is een belevenis, op de wat hoge toon van André Demedts in zijn artikel in Dietsche Warande en Belfort, 109 (1964), 282-287, “Naoogst der expressionisten”: ‘de waarachtigheid van het leven, zo aangrijpend direct, want rijker, voller, anders, met meer mysterie geladen dan de gedrukte tekst die voor ons ligt’.

De ondertitel slaat op de -vergeleken met wat er op poëtisch gebied intussen gaande was (geweest)- strakke vorm: traditioneel gebouwde strofen met een rijmschema en een net zo solide metrum, conform  ‘het boekje’. De hoofdtitel wijst terug naar Gijsens debuut, de in 1925 verschenen bundel Het huis (zijn opmaat de Lof-litanie van de Heilige Franciscus, humanitair expressionistisch en dus geëxalteerd getoonzet -de dichter nam er al spoedig afstand van- nu daargelaten). En zo is de cirkel rond, althans wat de poëzie betreft (Gijsen zou erna nog heel wat proza schrijven): vanuit The house by the leaning tree in Connecticut keerde hij terug naar zijn Antwerpse thuishaven.

Intussen is ook Marnix Gijsen nog maar een naam (naar de allusie op de essaybundel van A.L. Sötemann), als essayist, romancier en dichter. Gevierd bij zijn leven (met de driejaarlijkse Staatsprijs der Nederlandse letteren bekroond worden -in 1974- is maar enkelen gegeven) is hij nu nagenoeg vergeten en blijven eens als bijna klassiek beschouwde romans als Joachim van Babylon en Klaaglied om Agnes ongelezen. Dat geldt a fortiori voor de dichter en dat is jammer want zijn poëzie is -met behoud van de aan lyriek eigen ambiguïteit- nog steeds goed leesbaar, anders dus dan de klassiek ‘angehauchte’ om niet te zeggen intellectualistische gedichten van Leopold en Boutens, de modernistisch complexe verzen van Nijhoff en de vitalistisch expressionistische erupties van Marsman (om maar een paar tijdgenoten te noemen die op Nijhoff na intussen ook ‘nog maar namen zijn’).

En dit terwijl de literatuurgeschiedschrijving hem op waarde weet te schatten, gelezen de bespreking van Het huis van P. Kralt in Lexicon van literaire werken, november 2002 en vooral de relatief uitgebreide behandeling van die bundel door Jacqueline Bel in haar monumentale Bloed en rozen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945, Amsterdam, 2015, 494-497: drie pagina’s voor een bundel spreekt in een overzichtswerk als dit voor zich.

Reden genoeg dus ook hier op neerlandistiek aandacht voor Het huis te vragen en Gijsen op te nemen in het rijtje van Gery Helderenbergen Anton van Wilderode, Zuid-Nederlandse dichters die er recht ophebben ook in het Noorden meer dan zomaar een naam te zijn (ik doe dat aan de hand van de zo-even genoemde besprekingen van Kralt en Bel). Daarbij beperk ik me tot de versie van de eerste druk en laat ikde tweede (1927) en de derde druk (1947) buiten beschouwing omdat er met name in die derde een verschuiving optreedt van het katholieke geloof naar een stoïcijnse attitude waardoor de bundel een geheel ander karakter krijgt (overigens maak ik gebruik van de versiein: M. Gijsen, Verzameld werk I, Amsterdam, Rotterdam, 1977, 70-138; deze uit zes delen bestaande fraaie uitgave is intussen verramsjt).

Het Huis nu bestaat, naar de karakteristiek van Bel, uit anekdotische verzen met een diepere lading, op het eerste gezicht parlando-achtige poëzie met een relatief losse structuur, zij het dat de conventionele versvorm met z’n strofen en rijmschema present blijft (maar minder archaïsch oogt dan de gedichten in The house by the leaning tree). Ogenschijnlijk onbeduidende voorvallen krijgen zo de status van poëzie en dat binnen de context van de Ruimte-groep, naar de naam van het avant-gardistische tijdschrift Ruimte, waaraan naast Gijsen Wies Moens, Gaston Burssens en Paul van Ostaijen meewerkten. Hun doel was een breuk met de ‘Schöngeisterei’ van Van nu en straks, met name die van Van de Woestijne en Teirlinck. Kunst, c.q. poëzie werd daarbij gezien als een middel tot maatschappijhervorming en moest daarom steunen op religieuze, ethische en sociale motieven.

Gijsen zelf spreekt in dit verband van ‘de injectie in de literatuur van elementen die niet per se literair maar sociaal en politiek waren’ en zo getuigden van een kritische houding t.o.v. het internationaal gerichte kapitalisme. Van dat engagement is trouwens in Gijsens bundel niet echt sprake: voor hem tellen religieus-ethische aspecten zwaarder. Met dit al staat de nietigheid van de mens centraal in Het huis zoals blijkt uit het symbolisch te lezen “Lied om den blijen en onvoorziene dood” dat poëtisch anekdotisch een schets geeft van een mus die uit ‘winterwanhoop’ het hoogste lied zingt en zo uitziet naar de lente. Een knaap met een karabijn schiet die ‘potsierlijke musch’ net zo gemakkelijk dood. De laatste strofe luidt zo:

Als het schot
en de lach van zijn spot
weerklinkt,
zal dan de ziel der musch niet, omhoog
in de blijen rook van zijn bevenden buks nog zijn?
Zegepralend en blauw
stijgen, boven dorp en menschen
in den zuiveren echo der landauw!

De suggestie is, dat de mus een ziel heeft en dat hij zijn dood in een nieuw leven overstijgt en dat wat voor dit vogeltje geldt, ook wel eens ons ten deel zou kunnen vallen.

Bij die notie van nietigheid past de vaak deprimerende situatie die van veel gedichten de achtergrond vormt: in het musgedicht is het winter en elders bedreigen ziekte en dood voortdurend ons bestaan (‘Wij zijn ter dood gekwetsten’). Tot pessimisme leidt dat intussen niet want aan de einder wenkt zogezegd de eeuwigheid. Vandaar het reismotief dat een bevrijdend karakter heeft want die tocht door het leven verlost de mens uit zijn benarde situatie en voert hem naar een gelukzalig ander bestaan (het is deze door en door christelijke gedachte die in de derde druk wordt verworpen in de vier Joachimgedichten). Met dat reisidee spoort de notie van de ‘opeenvolging der generaties’: de troost ervan is, dat de levensreis via het kind voortgezet wordt en dat (ook) zo de dood wordt overwonnen.

Deze motieven -die van de nietigheid van de mens, de levensreis, de dood, de verlossing en de opeenvolging der generaties- komen mooi samen in het gedicht Mijn vadertje in de afdeling “Het huis” (dat uit vijf gedichten bestaat, Verzameld werk, 104-105):

Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid.
Hij had den zwaren last op zich geladen,
een eerlijk man te zijn
in woord en daad.
Dat is het schoone, dwaze kwaad
waar, na ons Heere Jezus Christus,
de sterkste man aan ondergaat.

Zijn oog was rustigblauw; een verre zee.
Zijn woord van blijheid soms plotse fusee
in stalen nacht.
Hij lachte rood en zoende onverwacht
mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.

De hooge schepen die de Schelde droeg,
hij wist hun laden vast en schoon te sturen.
Hij had hun namen lief,
om mee te spelen – als een kind naïef;
Karatchi, Pantos, Calcutta,
lijk schoon koralen.

Hij wist de haven; heimwee en verdriet,
bij vroegen morgenmist
en in den avond onder luid en rauw sirenenlied.

Hij heeft de bosschen van zijn jeugd bemind.
Hij kende boomen lijk wij menschen kennen.
Hij wist de winden en den oogst,
en wou mijn hand aan ’t ruw bedrijf der jagers wennen.
Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid.
Hij had de goede liefde tot de still’ en ware dingen.

Onder de schaduw van een dorpsche kerk
ligt zijn sobere zerk.
Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.
Zijn roode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.

In dit uit zeven strofen van ongelijke lengte (van zeven tot en met twee regels, verre van archaïsch) bestaande gedicht met een wisselend onregelmatig rijmschema (de lezer kan dit per strofe nagaan) schetst het lyrisch ik een portret van zijn vader, waarbij hij diens persoon qua karakter en attitude typeert. Kern daarvan is diens rechtvaardigheid, eigenschap die alle nadruk krijgt na het ‘Mijn vadertje;’ (de puntkomma dwingt tot een pauze).

Hij is niet zomaar rechtvaardig: hij belichaamt die deugd en valt er zo mee samen. Kern daarvan weer is de eerlijkheid (de punt aan het slot van r. 1 kan men als: lezen). En dat is een handicap (‘kwaad’) in althans de ogen van de wereld want zie zo leeft, krijgt het moeilijk. Christus is er het toonbeeld van en we weten hoe het Hem vergaan is. Wat kan een mens, hoe sterk ook, dan tegen die wereld beginnen? Die gaat er al helemaal aan onderdoor.  

Mogelijk is daarmee gezegd, dat die vader zijn rechtvaardigheid voor zich hield, nu we niet de indruk krijgen dat hij eraan bezweken is en die reserveerde voor zijn gezin, c.q. zijn zoon en liet blijken uit zijn liefde voor de ‘still’ en ware dingen’. Geen held dus en ook daarom het diminutief: enerzijds vertederend zoals een ouder geworden zoon over zijn vader spreekt, anderzijds oordelend t.a.v. de vader als mens in zijn zwakheid. Concreet: werkzaam in de haven treffen we hem niet aan op de barricaden en reserveert hij zijn eerlijkheid voor de naaste kring van gezin en vrienden, zo stil voor zichzelf uit levend, in balans met zichzelf: ‘Zijn oog was rustigblauw; een verre zee’ waarmee het reismotief gegeven is, zijn blik voorbij de horizon al gericht op wat er daarna komen gaat. Daarbij was hij een gul mens in de omgang wiens levensvreugde kon oplichten als een vuurpijl in het donker en die zijn zoon innig liefhad om diens dwaze opmerkingen en jeugdige opvattingen en wat kan een zoon zich beter wensen dan een vader die hem onverwacht zoent? Zo een willen we allemaal wel.

Na deze karakterschets in de strofen 1 en 2 is in 3 het beroep van de vader aan de beurt, diens openbare leven zogezegd, dat van loods (?) die schepen veilig in en buiten de haven bracht, waarmee het reismotief (opnieuw) gegeven is, hier concreet in de opsomming van exotische havenplaatsen die hij voor zichzelf uitsprak zoals een kind speelt met een bloedkoralen ketting: alleen de betoverende klank al (waarmee ook een associatie met het koraal als lied mogelijk is).

Thuis in die haven wist hij zo ook van wat mensen die op reis gaan overkomt: heimwee om wat wellicht nooit meer teruggezien wordt en verdriet om een wie weet onherroepelijk afscheid. Tegelijk is er het nachtleven met de verlokking van kroeg en bordeel en de sirene van politiewagens op weg naar een vechtpartij. En dat terwijl de wereld van diens jeugd een heel andere was: in de natuur buiten de grote stad die hij door en door kende en liefhad en waar hij blijkbaar steeds weer naar terugkeerde in de hoop zijn zoon ook zo ver te krijgen (wat het jagen betreft blijkbaar tevergeefs). En daarmee sluit de cirkel zich en keert de ik terug naar wie zijn vader ten diepste was: een liefhebbend mens (het motief van de vertedering) en een klein iemand, niet echt opgewassen tegen de last van het bestaan en vooral: sterfelijk als wij allen, op weg naar het einde in de hoop op een nieuw begin.

Bij iemand die zo bescheiden geleefd heeft door voor zijn dierbaren het goede te doen past een eenvoudige zerk i.p.v. een praalgraf. En dat heeft hij dan ook gekregen, terug thuis in zijn geboortedorp. En zoals God het volk Israël voorging in een wolk, zo geleidt de herinnering aan zijn vader de ik door het leven, met name diens Godsvertrouwen dat zijn ‘vadertje’ in diens angst voor de dood heeft thuisgehaald.

Foto: Wikipedia, publiek domein