In jezelf praten

Door Marc van Oostendorp

Een van de wonderlijkste taalkundige verschijnselen is misschien wel in jezelf praten. Een mens heeft voortdurend gedachten en soms nemen die gedachten ineens een klankvorm aan: ze klinken in je hoofd.

Hoe wonderlijk dit verschijnsel van de innerlijke monoloog ook is, taalkundigen houden zich er niet mee bezig. Het is helemaal niet duidelijk of we met ons allen niet de hele dag veel meer zinnen denken dan we daadwerkelijk uitspreken – en toch zijn er complete scholen van taalwetenschap die beweren gebaseerd zijn op ‘echte taaldata’ zonder ooit ook maar één zin die iemand in zichzelf zei in de beschouwing te betrekken.

Minder ‘echt’

Nu is het ook lastig te onderzoeken. Innerlijke monoloog is nog lastiger te vangen dan de toch al zo vluchtige spraak. Je bent je uberhaupt meestal pas na afloop bewust dat je iets hebt gedacht, en je kunt nu eenmaal geen bandrecorder mee laten draaien in je hoofd. Maar dat je als vak een zo veel voorkomend verschijnsel geheel en al buiten beschouwing laat, is eigenlijk heel wonderlijk.

Het moet te maken hebben met het feit dat we de dingen die binnen in ons gebeuren, die puur privé zijn, als minder ‘echt’ beschouwen. Of misschien wel omdat in jezelf praten als iets geks wordt beschouwd, een afwijking. Terwijl iedereen het doet. Je hoeft er, kortom, niet lang over na te denken om te beseffen dat het volkomen ten onrechte buiten beschouwing wordt gelaten.

Op de websites met (nog) ongepubliceerd werk verscheen deze week een gedachtewisseling over de innerlijke monoloog tussen de taalkundige Ray Jackendoff en de filosoof David Lobina, naar aanleiding van een boek dat ze beiden bespraken.

Dromen

Voor Jackendoff is de innerlijke monoloog precies hetzelfde als het gewone praten – alleen het laatste stukje dat de hersenen doen (de keel en mond de instructies geven om die klanken ook naar de buitenwereld te brengen) laat je achterwegen. Als dat klopt heb je dus ook bij het gewone praten even modelklanken in je hoofd die je vervolgens probeert met je mond te imiteren. Jackendoff wijst er bovendien op dat je in je hoofd zowel zinnen kunt horen die je als van jezelf beschouwt als van een ander.

Althans, dat laatste komt voor bij bijvoorbeeld psychoses (‘stemmen horen’) en Jackendoff legt niet uit waarom het niet vaker voorkomt, waarom niet iedereen het heeft. Zijn model is volslagen symmetrisch: er is ‘geëxternaliseerde’ tegenover ‘geïnternaliseerde’ taal en er is ‘taal onder je controle’ en ‘taal buiten je controle’ en alle vier de mogelijke combinaties komen voor (geëxternaliseerd onder controle = ik praat, geëxternaliseerd zonder controle = iemand anders praat, geïnternaliseerd onder controle = innerlijke monoloog, geïnternaliseerd zonder controle = stemmen horen), maar in de werkelijkheid van de meeste mensen is het laatste dus afwezig. Ik geloof niet dat ik behalve in dromen ooit stemmen heb gehoord.

Alledaags gesprek

Lobina zet daar een aantal observaties tegenover. Hij wijst erop dat voor hem een heleboel innerlijke taal niet zozeer uit monologen bestaat, maar uit dialogen – iets wat ik ook herken. Je oefent in jezelf belangrijke gesprekken die je gaat voeren of – iets zinlozer – die je hebt gevoerd. Er is dan dus sprake van iemands anders stem naast die van jezelf. Sterker nog, áls je een van de twee stemmen externaliseert, is het eigenlijk altijd je eigen stem: wat jij tegen die ander zegt. Je kunt daarbij zelfs articuleren, dus je tong en lippen bewegen zonder geluid te maken.

Er zit dan dus iemands anders stem in je hoofd. Toch is het geloof ik wat anders dan ‘stemmen horen’ (maar misschien ook niet, ik weet het niet omdat ik de ervaring van dat stemmen horen niet heb). Hoe dan ook lijken me dit allemaal verschijnselen die voor het begrijpen van taal van minstens even veel belang zijn als ‘echte taaldata’ in een alledaags gesprek.

Ulysses

Een interessante suggestie van Lobina is ook om naar de literatuur te kijken. Daarin zijn natuurlijk heel uitgebreide innerlijke monologen te vinden, al is niet altijd duidelijk hoe realistisch die zijn – Lobina geeft het voorbeeld van Stephen Dedalus die in Ulysses een uitvoerige innerlijke monoloog heeft terwijl hij in gesprek is met iemand anders.

Toch zou literatuur ook nog op een andere manier interessant kunnen zijn voor de studie van de innerlijke stem: we lezen immers ook meestal niet hardop, en ook dan klinkt er dus een stem, van buiten. Wat is dat allemaal? Begrijpen we taal wel als we dit niet begrijpen?

Afbeelding van Evgeni Tcherkasski via Pixabay