Gedicht: Pol de Mont • Oktoberavond

Oktoberavond

Een uitspansel van lood… Heel hoog, inktzwarte
traag heendrijvende wolken; lager, bij
de oneffen horizon, die van het Zuiden
onmerkbaar glooiend naar het Noorden loopt,
pikdonkre strepen op groenachtge grond,
en — lager nog, de kimme rakend schier,
een dunne, rode, helverlichte strook…
Daaronder strekt, beeld van verlatenheid
en armoe, zich een onafzienbre vlakte:
steenachtig land, waarop slechts hier en daar
wat pover onkruid wegteert, wijl, heel ver,
een enkle boom, verwrongen door de storm,
wat schaduw spreidt. —
                                    Krijtachtig loopt, gelijk
een lange slang, een smalle wegel dwars
door ’t eenzaam veld, en pikzwart, slechts van binnen
geelrood verlicht, verrijst, uit twintig schouwen
een dikke smoor uitpaffend, de fabriek,
zwoegend uit hese longen in de stilte
van vallende avond door het eenzaam veld,
zuchtend, als wilde de onbezielde stof
te zamen vatten in één enkle zucht
al ’t menslik lijden, dat die muren bergen…

Pol de Mont (1857-1931)
uit: Zomervlammen (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.