Gedicht: Juliana de Lannoy • De onbestendigheid

De onbestendigheid

Moest eindlijk Babijlon in puin en asch verkeren,
Die stad, die ’t gansch Heeläl verwondring heeft gebaard!
En gij, o Ninivé! dat zoo voortreflijk waart,
Kon niets den ondergang van uw Paleizen weeren?

Moest Titus Zegeboog zijn luister ook ontbeeren!
Is Piza’s heerlijk Beeld door de eeuwen niet gespaard!
Ja, zag men ’t woedend vuur, dien Tempel zoo vermaard,
Epheze’s wonderstuk in eenen nacht verteeren!

o Pharos! wierp de tijd uw trotsche vuurbaak neêr!
Mauzool, is van uw Graf het minst bewijs niet meer!
In ’t kort, kan niets op aard zijn eersten glans bewaaren?

Wat reden heb ik dan om zoo verbaasd te staan,
Dat naa den trouwen dienst van acht of negen jaren,
Van mijn balijnenrok de haak is afgegaan?

•••

Vers om te plaatsen in de kerk te Noordeloos

Looft hem, die is, die was, die weezen zal:
Den schepper en den Koning van ’t heelal.
Hier past het u den roem zijns naam te zingen.
Maar weet ge, welk een hulde hem behaagt?
’t Is niet de tong, die van zijn’ lof gewaagt:
Neen; ’t is uw hart, uw liefde, ô Stervelingen.

Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.