Een poëticaal afscheidsgedicht van Jan Six van Chandelier

door Riet Schenkeveld- van der Dussen

In het voorjaar van 1649 vertrok Six, koopman in drogerijen, voor een handelsreis naar Spanje en Italië. Bij wijze van afscheid schreef hij het gedicht ‘Fooi’ – dat betekent afscheidsfeest, afscheidsdronk. Het is een Pindarische ode met twee maal drie strofen ‘Keer’, ‘Tegenkeer’ en ‘Toesangh’. In de eerste ‘Keer’ beschrijft hij hoe hij vanuit het Oost-Indisch huis een voorraad ‘Katsjou’ geleverd kreeg. Hij beschrijft dat spul als een bol van een bepaald soort farmaceutische aarde, met een bittere verbrande korst, en van binnen wit-geel en zoet van smaak.

In de ‘Tegenkeer’ vertelt hij dat hij van de dichterbron op de berg Pindus een schaaltje water had gehaald, en dat hij onder invloed daarvan met hulp van Ovidius een textuur/tekst had gemaakt – eerst leek het alsof de draad die hij spon er maar hard en ruw uitzag, maar toen hij er wat aan had verbeterd, bleek die toch wel ergens voor bruikbaar.

De ‘Toesangh’ geeft de uitleg: zo is het ook met mijn gedichten. Voor wie die maar ‘ter loop’ leest, smaken ze vies en wrang, maar wie ze behandelt als redelijke dieren, dus in de verwachting dat ze iets te zeggen hebben, zal er toch wel iets goeds in vinden, zoals dat met beelden in de keer en wederkeer onder woorden is gebracht.

Dan de tweede serie. De ‘Keer’ vraagt: Is het dan de bedoeling dat die gedichten (die dus toch wel de moeite waard zijn) nu naar iedereen gaan, terwijl ik ze toch, toen ik ze de afgelopen winter schreef, bedoeld had voor (mijn Haarlemse neef) Baard? O nee. Maar toch ook ja. Dat komt door het verraderlijk kraken van de drukpers. Deze raadselachtige mededeling kan wel uitgelegd worden, met een omweg.

Ter opluistering van de Westfaalse vrede kwam er begin 1649 bij uitgever Gerrit van Goedesberg, gevestigd op het Water, grenzend aan de Dam, een bundel gedichten uit, Olyfkrans der Vrede. Van verschillende Amsterdamse dichters is werk opgenomen. Meestal zijn het gedichten die direct met de Vrede te maken hadden maar ook lofdichten op Amsterdam hebben een plaats gekregen. Het ging niet om speciaal voor dit boek vervaardigde teksten, maar de uitgever heeft bij elkaar geplaatst wat hij voor deze gelegenheidsuitgave gebruiken kon. Onder meer Vondel, Jan Vos, Reijer Anslo, Geraard Brandt zijn met gedichten vertegenwoordigd, en ook van I.S.V.C., die wij kennen als Jan Six van Chandelier, is een bijdrage opgenomen, te weten diens Vreughde-zangen over den eeuwigen Vreede. Ook dat was een bundeltje dat eerder, nl. in 1648, als aparte uitgave was verschenen, bij Joost Hartgers, ‘boeckverkooper in de Gast-huys-steegh, bezijden ’t Stadthuys’ – zowat een buurman van Six die vlak bij de Dam in de Kalverstraat woonde. Het bevat gedichten over de vrede, ook een waarschijnlijk al iets ouder gedicht waarin een pleidooi voor die vrede wordt gevoerd, lofdichten op Frederik Hendrik, satirische gedichten tegen Spanje en een epigram met lof op Amsterdam, bewerkt naar een Italiaans model van Sannazaro.

De gegevens combinerend valt de gang van zaken te reconstrueren. In een periode die loopt van de winter 1647-1648 tot na medio 1648 heeft Six verscheidene gedichten geschreven die hij achteraf heeft gebundeld. Hij had het plan dat boekje op te dragen aan een zekere Hans Baard, een neef van hem, en dat plan is ook bewaard gebleven als de latere ‘Brief aan Hans Baard te Haarlem’, opgenomen in Six’ Poësy p. 267-268. Die brief heeft een schertsende toon. Ik stuur je hierbij een paar gedichtjes. Die wilde ik, zoals dat staat in de tweede ‘voorsangh’ – dat is dus de tweede ‘keer’ van ‘Fooi’- aan jou opdragen. Maar ach, opdrachten zijn meestal weinig meer dan vleierijen en daar houden wij beiden niet van. Dus krijg je de gedichtjes als een afscheidsgeschenk nu ik op het punt sta naar het buitenland te vertrekken. Zo legt Six het uit aan Baard. Maar waarschijnlijk is er iets anders gebeurd en dat staat in de tweede ‘Keer’.

Wie steunen wil los op genaa
Des drukkers, dat die swygen zal,
Mislukt syn hoop, tot ongeval.
De pars kraakt in syn buurmans oor,
De buurman brenght wat nieuws te voor.

Ik parafraseer: Wie hoopt dat zijn drukker/ uitgever zo vriendelijk is zijn mond te houden over een voorgenomen uitgaafje (Six’ Vreughde-zangen als cadeautje voor een bevriend familielid bedoeld) komt bedrogen uit en dan loopt het mis. De drukpers kraakt in het oor van de buurman van de ‘Wie’, dus Six, (Goedesberg aan de andere kan van de Dam) en die buurman is net bezig wat nieuws uit te brengen. Dus: de uitgever van de Olyf-krans der Vreede vernam dat er bij Joost Hartgers iets op stapel stond en het leek hem een goed idee als ook het bundeltje van Six daarin een plaats zou krijgen. Het is een ingewikkelde passage en eventueel kan men het ook anders lezen, namelijk dat ‘syn buurmans’ betrekking heeft op de buurman van de drukker en dat dus Hartgers al in een vroeg stadium zou vernomen hebben dat de Olyf-krans zou gaan verschijnen en dat hij daar het boekje van Six ook graag in ondergebracht wou zien. Maar het effect is in beide gevallen hetzelfde. Een opdracht aan een niet erg bekende heer Baard zou in zo’n bredere context niet gepast zijn en dus zou Six’ boekje Vreughde-zangen opgedragen moeten worden aan iemand van meer allure. Six stemt daarin toe maar dan gaan bij hem wel alle anti-idealistische remmen los. Hij produceert een zwaar-ironische ‘Toe-wydinge aan de Vree-goddinne’. Voor die godin die uitblinkt boven alle andere godinnen, ontvonken de ‘geesten aller geesten’, de dichters. Die spuiten nu voor haar fonteinen van lof. Onder die dichters zijn er ‘schelle nachtegaalen’ maar ook ‘bastaart-vogels’. Tot die laatste soort rekent hij zichzelf, maar met behulp van theriak, een opwekkend geneesmiddel, dat hij dagelijks verkoopt, brengt ook hij een offer aan de voeten van de grote godin, een vrij letterlijk offer want de rook van zijn verbrande gedichten kan als reukoffer dienen. Baard loopt aldus zijn opdracht mis.

Nu terug naar ‘Fooi’. Volgens de tweede ‘Keer’ zijn Six’ gedichten, dus anders dan oorspronkelijk zijn bedoeling was, opgenomen in de Olyf-krans. In de tweede ‘Tegenkeer’ draagt Six zijn ‘slechte vaarsjes’ op om, nu ze in zo’n hoog gezelschap terecht zijn gekomen, zijn Amsterdamse mededichters beleefd te groeten. Met deze wending wordt ook eindelijk duidelijk waarom in de eerste ‘Tegenkeer’ Ovidius als model werd genoemd. Ook die had zijn gedichten opgedragen zijn dichtvrienden te groeten (Tristia I,1). De namen die Six noemt of omschrijft zijn achtereenvolgens Vondel, Jan Vos, Reijer Anslo en Geeraart Brandt – allemaal auteurs die in de Olyf-krans vertegenwoordigd zijn. Alleen Six’ naamgenoot Jan Six, schrijver van een toneelstuk Medea, is niet in de Olyf-krans te vinden. Die zal hij als hooggeplaatste en bevriende naam-en schoolgenoot niet hebben willen overslaan bij zijn afscheidsgroet. De tweede ‘Toesangh’ sluit het gedicht af. Zou de afgunst het op mij gemunt hebben, dan zullen de dichters in wier gezelschap ik nu verkeer, me wel beschermen. Ik neem, op het punt te vertrekken, dus nu met dit gedicht afscheid van jullie: Amsterdam, Baard en medekunstminnaars. Baard krijgt hier de toevoeging ‘Voor wien ik nooit, maar naamaals schreef’, ook alweer een crux. Ik lees dat nu als: Baard, voor wie ik nooit eerder iets schreef (namelijk de niet-gerealiseerde dedicatie) maar later wel (namelijk de ‘Brief’). Of, als ik Jacobs volg die naamaals begrijpt als ‘na de maaltijd’, zou ik kunnen vertalen: maar alleen (als mosterd) na de maaltijd – het bundeltje was immers al verschenen.

De geschetste volgorde is dus:

  1. Six schrijft in 1647-1648 een aantal gedichten die zich blijken te lenen om als een gelegenheidsbundeltje voor de vrede van Münster gepubliceerd te worden.
  2. Hij wil dat bundeltje aan Hans Baard opdragen.
  3. Er wordt in verband met de voorgenomen uitgave in de Olyf-krans voor een breder publiek om een andere opdracht gevraagd.
  4. Six schrijft de ironische opdracht aan de Vreegodinne en spot ermee dat het hele Amsterdamse dichterdom, hijzelf incluis, voor de vrede in de pen is geklommen.
  5. Hij sluit deze periode af met enerzijds de ‘Brief aan Hans Baard’ die moet dienen als vervanging van de niet-gekregen dedicatie en anderzijds met het gedicht ‘Fooi’ waarin hij terugkijkt op de publicatie van zijn teksten in de Olyf-krans, en tegelijk afscheid neemt van zowel Baard als zijn mededichters.

In ‘Fooi’ biedt hij als het ware een staalkaart van zijn kunnen. Hij giet zijn gedicht in de vorm van een Pindarische ode, tegelijk spelend met die hoge vorm. Hij zinspeelt erin op zijn beroep met het medicijn ‘katsjou’, bruikbaar als beeld voor zijn poëzie en zo een originele verwoording van de topos dat een gedicht een noot is die men moet kraken. Hij verwijst op een verstolen wijze naar Ovidius als een bron. Hij verdedigt zijn poëzie als inhoudrijk voor wie er moeite voor wil doen. Hij verklaart hoe zijn als privé-bundeltje bedoelde reeks Vreughde-zangen in een uitgave voor een breder publiek terecht is gekomen, excuseert zich daarvoor bij zijn eerst-bedoelde adressaat en gebruikt het gedicht tenslotte ook nog als een afscheidsgroet aan zijn mededichters voor zijn langdurige buitenlandse reis.

Voor wie het ‘ter loop’ las – en ik reken daar ook mezelf toe, zie Zelfbeeld in gedichten p. 87 – was de volle draagwijdte van het gedicht niet te vatten. Of Six zijn lezers niet overvraagt, is een andere kwestie. Tijdgenoten zullen ook niet geweten hebben hoe dat nu precies zat met de Vreughde-zangen en de Olyf-krans. En al zouden ze de context gekend hebben in 1648, dan was het gedicht in 1657 toen ‘Fooi’ in de Poësy voor het eerst gepubliceerd werd, voor lezers al bijna even raadselachtig als voor ons. Waarschijnlijk heeft alleen Hans Baard het zo’n beetje kunnen begrijpen. Six heeft het ook niet gemakkelijker gemaakt door de teksten waar het om gaat, min of meer verspreid door zijn verzamelbundel te plaatsen. Dat was nu eenmaal zijn manier van doen en zijn uitdagende werkwijze maakt ook deel uit van zijn eigenwijze charme.

Literatuur: het commentaar van Anne Jacobs bij de gedichten 211, 212, 218 in J. Six van Chandelier, Gedichten Deel II, bood het uitgangspunt voor deze interpretatie.

Afbeelding: Schijnheiligheyt, gedicht uit 1662 van Jan Six van Chandelier, kalligrafie van Lieven Coppenol