‘De Joden’ (1853)

Jeugdverhalen over joden (110)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Cornelia Carolina Margaretha Luyken (1805-1872)

Gesprek tusschen Vader, Jan en Koos.

Jan:
‘Wat ouds!’ Zoo roept het arme joodje
Door heel de stad,
‘Wie heeft er nog een voddenzoodje?
Wie ruilt er wat?’

Koos:
Ja, zoo, zoo roept hij alle dagen,
In vreemde spraak;
Maar dat de jongens hem zoo plagen,
Wat dwaas vermaak!
Ook heeft de meester ’t streng verboden,
Daar ’t niet behoort;
Toch zijn ze zonderling die joden,
Men kent ze voort.

Vader:
’t Is ook een volk uit and’re streken
Hier ver van daan;
Zij zijn eens uit hun land geweken.
Met smaad belaân.
Door hen toch werd de Heer der Heeren
Miskend‚ verguisd;
Hij‚ die hen helpen kwam en leeren,
Door hen gekruist.

En wat voor duizenden van jaren
Hun was voorspeld,
Wat in de heilge bijbelblâren
Ons wordt gemeld;
Dat is gebeurd. Ja! wordt tot heden
Aan hen vervuld:
Nog dragen zij van ’t lang verleden
Der vaâdren schuld.

Zij zijn verstooten en verdreven
Van uit hun land,
Het zwaard deed duizend duizend [sic] sneven,
Door ’s vijands hand.
Verspreid, verstrooid als vreemdelingen,
Langs heel deez’ aard‚
Zijn ze echter in hun wisselingen
Door God bewaard.

Zij zijn de levende getuigen
Van ’t Bijbelwoord,
Dat Woord, voor ’t welk zich eens zal buigen
En ’t Zuid en ’t Noord.
Ook Isrel zal zich eens bekeeren,
Dit hopen wij;
Eens zullen zij den Heiland eeren,
Van ongeloof en dwaling vrij.

De Christen moet dus al zijn dagen;
Door liefde en deugd
En stil geloof, den Heer behagen,
Om waardiglijk dien naam te dragen‚
Reeds in zijn jeugd.

C.C.M. Luyken publiceerde onder het pseudoniem Erica. In 1850 verscheen haar eerste bundel: Kleine verhalen en gedichtjes voor de jeugd. In de twintig jaar daarna volgden nog zeker zes andere bundels.

         ‘De Joden’ werd in 1853, samen met twee andere van haar gedichten, opgenomen in Moeders schoot. Dit tijdschrift bevatte ‘godsdienstige en zedelijke verhalen en versjes voor kinderen’. ‘Wat ouds!’ was een standaard straatroep van zogenoemde vodden- of lompenjoden. Veel (joodse) straathandelaren werden, zoals Luyken opmerkt, erg geplaagd, vooral door straatjongens.

         Luyken was van remonstrantse huize. Zij verwoordt hier een opvatting die in christelijke kringen steeds meer opgeld deed: dat joden door God waren bewaard als ‘de levende getuigen van het Bijbelwoord’. En dat zij zich, daartoe gestimuleerd door ware christenen, zouden bekeren tot het christendom.

         Of Luyken zelf actief was in de zending, is mij niet bekend, maar in 1852 verscheen haar bundel Dichtregelen ontleend aan den Bijbel ‘ten voordeele van het Ned. Zendeling-genootschap’.

         Luykens poëzie werd slecht ontvangen. Van het gedicht ‘De Joden’ heb ik geen besprekingen gevonden, maar over de bundel Harptoonen: dichterlijke mengelingen (1854) schreef een recensent van Vaderlandsche Letteroefeningen: ‘Wij kregen medelijden met de schrijver en met de uitgever, die beiden hun tijd en hun geld beter konden besteden dan aan het schrijven en in het licht geven van boekjes, die voor de meest oppervlakkige blik zo verre staan beneden schier alles wat van dien aard wordt aangeboden’.