Al die kakelende stemmen

Door Marc Kregting

Hoe zal de toekomst beschikken over Joost Zwagerman? Uiteraard een onbeantwoordbare vraag. Maar de schrijver trof voorzorgen. Hij had een testament gemaakt, zijn privé-archief geschonken aan het Letterkundig Museum en de nalatenschap toevertrouwd aan zijn vriendin en aan zijn uitgeefster. De vraag naar de toekomst was ten minste een belangrijke vraag voor het object zelf, dat vermoedde ‘dat zijn dood veel stof zou doen opwaaien’. En zo geschiedde, toen in 2015 een gedurige depressie eindigde in zelfmoord.

Zwagermans vermoeden is te vinden in een spectaculair boek dat zijn jeugdvriendin en voormalige echtgenoot Arielle Veerman vlak voor de lockdown publiceerde. Ik noem het spectaculair omdat ik bij de lectuur gevoelens had die in het Nederlands als ‘ongemakkelijk’ door het leven zullen gaan. De langste adem. Een leven met Joost Zwagerman valt eveneens te kwalificeren als een pijnlijk boek. Niet eens vanwege vele persoonlijke details over de schrijver die publiekelijk de charme in eigen persoon was, maar omdat het een ethisch wankel cultureel bestel ten tonele voert, gevolgen laat zien van de mediatisering en het voortbestaan toont van een niet-emancipatoir mensbeeld.

Natuurlijk valt Veermans boek vooraf onschadelijk te maken. Zeker vanuit de ondertitel Een leven met Joost Zwagerman is het enigmatisch om er, op flap en titelpagina, een ander genre bij aan te duiden: ‘autobiografische roman’. Dit trekt de tekst wel de fictie in. Om de auteur te vrijwaren van eventuele claims? Onbegonnen werk! Om de betrekkelijkheid van haar standpunt te suggereren en inkleuring van herinneringen te erkennen? Evenmin een erg geloofwaardige strategie. Een tweede argument om De langste adem ongelezen te laten is dat het niet echt geweldig is gestileerd. Maar dat geldt voor vele gerespecteerde auteurs en sinds non-fictie tot literatuur behoort kan stijl geen criterium meer zijn. Ten slotte kan het boek worden genegeerd omdat het uitgebreid verhaalt over een vechtscheiding waarin Veerman en Zwagerman waren verwikkeld. De auteur is dus partij en ziet in de gelederen van de tegenstander bijvoorbeeld prachtig ijzig ‘de vriendin’ en ‘de ouders’. Toch kan bevooroordeeldheid geen reden zijn om een boek terzijde te schuiven. Gaandeweg blijkt bovendien dat Zwagermans standpunt niet altijd even houdbaar is geweest, maar wel soeverein het enige – en nooit de simpelste rectificatie ondergaan heeft.

Laatstgenoemd bezwaar kwam vaak aan de orde in de ruime publiciteit die het boek kreeg, niet heel verbazingwekkend in de vorm van interviews. Waarom zocht Veerman het in al dat particuliere, dat de roemrijke auteur verandert in een deerniswekkend ‘gewond dier dat zich aangevallen voelde en voor zijn leven vocht’? Zwagermans verzengende middle class ambitie zou allerlei anekdotes moeten wettigen, waarvan de geloofwaardigheid onmogelijk per stuk kan worden onderzocht. Dat hoeft ook niet. De systematiek in Veermans verhalen, en de ontluisterende ideologie ervan, dwingt zelfs de roddellustigste lezer ertoe de particuliere laag te passeren.

Een complete verrassing kan Veermans perspectief trouwens niet zijn geweest. Een documentaire door Coen Verbraak uit 2018 legde al wat ‘incongruente’ kanten van Zwagerman bloot. Maar vooral had de auteur zelf in de loop der jaren zijn schaduwgezicht getoond, door na stomme aanleidingen geregeld tot diep in de nacht op websites meningsverschillen uit te vechten. Zo’n oeverloos debat voerde hij bijvoorbeeld over racisme met zijn oude opponent Anil Ramdas, evenmin nog in beste doen. Dat hun niet-gemodereerde comments werden ingekapseld onder de term ‘fittie’ (waarop Zwagerman prompt een comment gaf) kon een minder aangename werkelijkheid niet verhullen. Inmiddels zijn al die teksten verwijderd, wat het vreemd genoeg erger maakt.

Dat ik zelf ondertussen Zwagerman, geboren te Alkmaar in 1963, heb opgezadeld met middle class ambitie, lijkt dan tegenstrijdig. Veerman gebruikt dat begrip niet eens. Toch vind ik het gepast. Meer dan eens memoreert ze een ‘opdringerig’ verbeten trots en ‘drammerig enthousiasme’ die de puber Zwagerman in 1981 vertoont nadat er – eindelijk – twee gedichten van hem zijn gepubliceerd in het CJP-tijdschrift Plug. Veerman meldt daar de verbazing bij van degenen die hem goed dachten te kennen. Weerkerend in De langste adem is een schisma tussen Zwagerman en een jeugdvriend die identieke interesses steevast concurrentieel voor het voetlicht brengen. Erkenning in de vorm van een debuut noopte de prille, getalenteerde auteur onmiddellijk tot handelen – en tot uitsluiten. Aan doelgerichtheid zitten voor- en nadelen. En als iets de welsprekende Zwagerman blijkt te hebben getekend, dan was het bewijsdrift (en een drang naar boven).

Loonslaven

Interessant is Zwagermans verhouding tot de neerlandistiek. Feitelijk is hij er langs een omweg mee in contact geraakt. Hij blijkt van jongs af een culturele veelvraat te zijn geweest op de havo. Om zijn dienstplicht te ontlopen gaat hij, kind van onderwijzers, naar de Pedagogische Academie. Kennelijk heeft hij die opleiding snel voltooid om aan de Universiteit van Amsterdam student Nederlands te worden, terwijl hij al publiceerde (in 1986 verscheen zijn debuutroman De houdgreep). Aan Veerman zei hij de wetenschap voortijdig vaarwel te hebben gezegd omdat er inmiddels les over hem werd gegeven. Ze ontdekte dat dit een dichterlijke vrijheid was. Maar feit is dat in 1991 een docent hem voor een vaktijdschrift centraal stelde in een artikel over postmodernisme.

Achteraf is dat niet eens abnormaal. Ik besef nu pas ten volle dat Joost Zwagerman een prototypisch studieobject was. Alle data droeg hij namelijk zelf aan. In een special voor Haagse Post (1987), de poëziebundel De ziekte van jij (1988) en interviews daarrond waar hij als het ware de theorie en de anekdotes gratis leverde. In een mum van tijd schreef Zwagerman ook zijn memoires als lid van de revolutionair bedoelde dichtersbeweging de Maximalen, die zich kantten tegen ‘de hermetische, academische poëzie’. Nu verzorgt elke auteur wel eens een poëticale tekst, maar zo prominent als Zwagerman dat deed… Als weinig anderen regisseerde hij zijn ontvangst en genereerde hij aandacht, met een bijna arrogant naturel dat in deze niche later bij mijn weten alleen Ilja Leonard Pfeijffer zou tentoonspreiden.

Veerman zegt dat Zwagerman academici zag als conformisten. Hun clichématige ontoegankelijkheid moest verhullen dat in hun smaak geen zelfstandige beweging zat. Híj maakte keuzes, dacht hij. In de praktijk was Zwagerman een omnivoor die het imposant vele dat hij las hergebruikte, ‘vermalen in zijn hoofd tot een ideeënrijke pulp waar hij dan weer betogen uit destilleerde’. Zwagermans anti-academisme lijkt vooral klantvriendelijkheid behelst te hebben. En de ironie wil dat hij juist in het Amsterdamse café De Zwart, standplaats voor de sector, begon te gelden ‘als een literaire populist zoals wie die nu kennen: iemand die de elite veracht en aansluiting zoekt bij het volk’.

Een tragische misvatting, denk ik. De langste adem toont dat Zwagerman veeleer beestachtig hard zijn best deed en met een indrukwekkende vlijt produceerde. Ook weet ik niet of het destijds wel zo controversieel was om over pakweg Prince en Madonna te schrijven. Veeleer voldeed Zwagerman aan de vraag van de markt en bewoog mee met een zo niet accomoderende dan toch veranderende postideologie. Op één punt is hij volgens mij zijn tijd vooruit geweest. Zijn essays mogen een grote mate van onderwijstalent tonen, ze bevatten van begin af precies het type persoonlijk aandeel en mening dat nu bij consumenten standaard is. Zie de televisieserie Andere tijden: waar ooit Hans Goedkoop aan begin en eind in een vast decor het kader schetste, loopt nu Astrid Sy de hele tijd innemend door het beeld. Zwagerman was altijd vanzelfsprekend aanwezig, terwijl de wereld die schroom nog moest afleggen. Dat proces zal door internet allicht zijn vergemakkelijkt.

Na De langste adem bekruipt me het idee dat deze kunst van het docerend delen een uiting kan zijn van zelfstandig ondernemerschap. Een keurmerk als het ware. Veerman vertelt over Zwagermans minachting voor ‘loonslaven’ die nooit een (artistieke) finesse kunnen bereiken omdat hun, net als academici, de vrijheid ontbreekt zichzelf tot uitdrukking te brengen. Dat klinkt wat verwend maar misschien is het een ouderwets idée-fixe van kunstenaars, dat ook bij Remco Campert aan te treffen is. Veermans motiefje van de jeugdvriend die concurrentieel diametrale opvattingen huldigt over kunst en leven krijgt exemplarische waarde als deze man voor een interviewtje met de inmiddels veelgevraagde schrijver zoveel tijd in beslag neemt in verhouding tot zijn marginale medium, dat Zwagerman hem een rekening per uur stuurt.

Zo’n houding kan niet anders dan sporen nalaten in relaties met intimi. In De langste adem staat de schrijver in het centrum van de wereld die, paradoxaal genoeg, voor hem wegdeemstert. Daar begint Veermans boek echt pijn te doen. Zwagerman begon na een gestage opmars naar de toppen van de cultuurindustrie het schrijverschap met al zijn bespottelijke randvoorwaarden te verabsoluteren. Hij miste de gave om de betrekkelijkheid van zijn prestaties te zien. Er was misschien niet eens tijd voor. Hij trok van het ene evenement naar het andere, waarbij Veerman een aanhangsel was geworden. Naast de opvoeding van hun drie kinderen en het bestieren van een huishouden werd ze in de positie gedwongen van Zwagermans spoedsecretariaatsredacteur. Zelf werkte hij bij voorkeur ’s nachts, en sliep wanneer kinderen naar school moesten en hun huiswerk deden. Voor hun avondeten kwam hij eventjes over uit zijn atelier. In eerste instantie betaalden dus zijn naasten de tol voor een leven in scheppende vrijheid. Zwagermans roeping, missie en wat al niet, betekende sinds de geboorte van zijn kinderen: geen sociaal leven, geen etentjes of bezoek in huis (op borrels en presentaties zag hij zijn collega’s). Vriendinnen van Veerman konden het schudden als zijnde ‘invasief’.

Aan ‘bijspringen’, door de nog jonge kinderen eens te halen of brengen, blijkt Zwagerman principieel niet te hebben gedaan. Dat zou een belediging zijn geweest voor zijn artistieke engagement: ‘Zie jij schrijvers daar op het schoolplein?’ Van hem hoefde zijn vrouw helemaal geen baan te hebben. En zo geschiedde na de geboorte van hun derde kind: Veerman, die haar studie wel voltooid had, gaf haar werk als restaurator op. Zoals er in bevoorrechte milieus curlingouders heten rond te dazen, zo heeft ze volgens zichzelf gefunctioneerd als ‘curlingvrouw’. Verlichtte ze daarmee de druk op de artiest, ze vergrootte die op de kostwinner. En wellicht op de schepper van origineel, creatief werk. Zwagerman werd steeds meer een opinist, voor wie de podia in het versplinterende mediabestel dermate snel verveelvoudigden dat hij de regie niet langer kon houden. Maar hij had over ieder hangijzer inzake ‘kunst, politiek en maatschappij’ wel iets te vertellen. Technisch heeft Veerman daar ontzag voor, als ze bijvoorbeeld op de televisie ziet hoe haar man trefzeker debatteert met Pim Fortuyn.

Toch overweegt bij haar en niet-culturele vrienden het verdriet, geconfronteerd als ze worden met een resem van tegenstellingen in Zwagermans dagelijks leven. De artistiek opgedroogde schrijver die depressief is maar zich enthousiasmerend over anderen kan uitlaten op de televisie. De eenzaat die omgaat met mensen die in zijn branche iets te betekenen hadden. De democraat en elite-bestormer die naarmate zijn positie sterker wordt minder tegenspraak duldt. De kenner van reputaties die zich vereenzelvigt met zijn uiterlijke succes. De realist die zo in paniek kon raken dat hij de wereld mijdt.

Honderdachtenvijftig namen

In Veermans relaas zit de suggestie dat Zwagerman de artistieke crisis had kunnen bedwingen door zijn genadeloosheid op zichzelf te richten in een roman. Kan dat wel? Ja, in de Nederlandse literatuur bestaat er een voorbeeld van: Badal door Anil Ramdas, die zichzelf vlak daarna alsnog het leven benam. Zwagerman hield het bij essays over zelfmoord.

Ongrijpbaar en rillerig stemmen Veermans beschrijvingen van Zwagermans uitgeefster als drager van twee zielen: steun en toeverlaat, gecombineerd met een zaakwaarnemerschap. Voor een boek heb ik al eens een soortgelijke spagaat onderzocht bij de euthanasie van Hugo Claus, die letterlijk tot aan het doodsbed werd begeleid. Zwagermans uitgeefster was bekend met de stortvloed van zijn mails aan een keur van betrokkenen rond de scheiding én met Veermans voornemen aangifte te doen van stalking. Eigenlijk was ze telkens raadsvrouw van iemand die tegelijk haar werkgever was, met een goed verkopend oeuvre en een voorbeeldige zichtbaarheid. Een allerminst benijdenswaardige positie. Als ze al niet afhankelijk was, dan had ze minstens bovenpersoonlijke belangen. In De langste adem uiten die zich openlijk wanneer de uitgeefster bij de begrafenis een ceremoniemeester moet zijn, die het evenement regisseert. Onder meer door te onderhandelen met de verschillende partijen – vanuit het perspectief van het publieke imago, niet dat van de nabestaanden. En al was Zwagerman vlak tevoren, na dertig jaar, overgestapt naar een ander huis, voor de pijnlijkste mededelingen wordt de uitgeefster vertegenwoordigd door ‘de directeur van het concern’.

Op dat moment heeft Veerman al aardig wat eelt gekweekt. De echtscheiding was een proces van jaren, waarbij ze lijdt onder een permanente nagalm uit ‘een andere wereld’. Louter kan ze omgaan met mensen die ‘niet “in de literatuur zitten’ om een minimaal ‘soort van onafhankelijkheid’ te handhaven. Maar ook die burgers worden door Zwagerman benaderd met verhalen, forwards en documenten. Het culturele universum dient zich in De langste adem aan als een monolithisch blok dat ‘de fatwa’ over haar had uitgesproken; voordien hadden artistieke intimi afstand genomen door ‘een middenweg’ te zoeken en zogenaamd ‘neutraal’ te blijven.

Wel bevestigt dit drama Veermans diagnose dat Zwagerman zijn identiteit ontleende aan zijn status en roem, aan zijn zichtbare kant (terwijl hij in zijn poëzie zijn meerdere ikken cultiveerde). Hij zag zichzelf door de ogen van anderen, van zijn met zoveel strategie en investering gewonnen publiek dat hij niet mocht verliezen. De klassieke angst om van de troon gestoten te worden krijgt hier door de mediatisering een zuur bijsmaakje. Na afloop van alle prijzende toespraken door collega’s op de begrafenis, waarin Zwagermans drie kinderen onvermeld blijven, zegt zelfs iemand van de televisie dat de ware Joost niet is herdacht. Veerman spreekt bedaard over ‘het literaire circuit’ dat letterlijk ‘in en outs’ heeft en dus gesloten is. Daarmee is er voor haar eigenlijk niets veranderd, afgezet tegen Zwagermans jonge jaren toen hij café De Zwart wekelijks bezocht: ‘Er werd voornamelijk gesproken over andere schrijvers, over recensenten en journalisten, mensen van wie ik helemaal niets wist’. Hij deed dat overigens welbespraakt en geïnformeerd.

Mensen uit dit universum werden door Zwagerman in scheidingsmails opgevoerd als ‘medestanders’. Om precies te zijn telde Veerman ‘honderdachtenvijftig namen’, van wie sommigen attesten hadden afgegeven voor de rechtbank. Om ervan af te zijn, ‘een raadsel waar niemand zijn vingers aan wilde branden’? Of waren ze juist verguld zich op hun beurt te kunnen bewijzen aan een grootheid? Onder hen bevonden zich voor Veerman hoe dan ook ‘autoriteiten, personen die ik nooit had ontmoet’. En naarmate hun aantal groeide, voelde ze uiteraard meer voldoening om ‘al die kakelende stemmen op [te] bergen in een lade van mijn bureau’. Zelfs in de pleidooien en verweerschriften van Zwagermans advocate hoorde Veerman zijn dictaat – de vacature van spoedsecretariaatsredacteur werd alsnog vervuld.

Het is uiterst bizar, vind ik, zulke dingen allemaal te lezen. Ze doen niets af aan de boeken die Joost Zwagerman in zo’n drie decennia heeft gepubliceerd, wel aan de biotoop waarin ze zijn gegroeid. En waarin De langste adem evengoed het licht kon zien. Uitgever is Prometheus, ooit door Zwagermans naaste collega Giphart ‘Proleethuis’ genoemd. Misschien moet een redacteur nog even kijken naar Veermans bewering op pagina 147, dat volgens De Groene Amsterdammer in een recensie op Gimmick! de ‘Veronica-sound de letteren binnengemarcheerd’ was. Ik vind amper bronnen voor die aantijging, maar ze klinkt historisch, als echo op Aafjes die in de poëzie van Zwagermans idool Lucebert de SS hoorde. Uiteindelijk begrijp ik uit een overzichtsartikel dat Yves van Kempen had geschreven: ‘de Veronica-sound maakte zijn entree in de Nederlandse literatuur’.

Waarom strooi ik nou zout op een slak? Juist dit soort frases gaan, althans naar mijn overtuiging, deel uitmaken van het nachleben van een auteur. En omdat het juist Zwagerman zelf was die zich daarom bekommerde en hij niet meer kan pareren, moeten alle voorwaarden voor een oordeel zo objectief mogelijk op tafel liggen. Desnoods naast de ongeveer 47.000 (!) mails, die reeds in het Letterkundig Museum zijn. En dus naast het boek van Arielle Veerman, dat nochtans het persoonlijke aspect ruim overstijgt – als waarschuwing voor begaafde witte meneren die het zo hoog in hun bol krijgen dat mediamensen er brood in zien? Wie haar overigens niet alleen wil lezen maar ook wil zien, kan de vermelde documentaire van Verbraak raadplegen. Daar spraken culturele vrienden met respect en warmte over Joost Zwagerman, en ontwaarden geen onvergetelijk oeuvre.